
De naam ‘fantastisch’ staat voor de oorspronkelijke betekenis van het woord: rijk aan fantasie.
Het verhaal hierna gaat over twee jonge minderbroeders als tijdreizigers.
Twee minderbroeders op tijdreis
In het jaar 2026

Dominic en Trudo zijn twee van de laatste minderbroeders. Ze zijn beide jonge kerels. Ze hebben ‘de laatste der Mohikanen’ gelezen en hebben gevonden dat dit iets voor hen is. Ze zijn dan ingetreden als broeders. Bij hun intrede-ceremonie werd hen de keuze gegeven om een bruine pij te dragen of zich voor te doen als gewone mensen. Ze namen de belofte van armoede letterlijk en besloten om een pij te dragen. Trudo is ingeschakeld bij het museum De Mindere. Dominic onderhoudt de minderbroederstuin, kookt en wast. De laatste minderbroeder behalve zijzelf, de zogenaamde gardiaan, heeft het klooster verlaten om elders te gaan wonen. Ze hebben het rijk voor hen alleen.
De stad heeft reeds jaren de erfpacht verworven over de site. De kerk doet dienst voor allerlei activiteiten. De schaatsbaan in de kerstperiode is een echte topper. Vele delegaties van steden uit binnen- en buitenland zijn komen kijken. Het initiatief heeft al hier en daar navolging gekregen. 2026 is het Trudojaar en er zijn vele activiteiten gepland. In november van het voorbije jaar is het begonnen met een optocht van de verenigingen met vaandels door de stad. De apotheose is voorzien in het najaar.

Het is zaterdagmiddag. De Grote Markt wordt schoongeveegd van de markt. Ze zijn getuige van het opnieuw opbouwen voor iets anders. Ze blijven het gadeslaan want ze zijn gewoon dat het marktplein dadelijk terug ingenomen wordt door parkerende auto’s. “Wat gebeurt er?” vragen ze aan een caféhouder. “Ah, nu komen de fruitige fietsjes voor de kinderen, is het antwoord; de namen van die gekke fietsen vind ik goed: Pom, Pwaar, Keez, Jaadbèrt; er is ook een Lachkriek en een Reinekloot.”
Ze hebben gemerkt dat in de etalages van leegstaande winkelpanden in de Luikerstraat en in de Stapelstraat kunstwerken zijn geplaatst, en dat er stickers op vitrines van leegstaande winkels zijn. Dit is een nieuwigheid. Ze gaan een kijkje nemen. Ze zijn blij verrast en vinden dat dit bijdraagt aan de aangename sfeer die de winkelstraten nu uitstralen. Ze vergelijken met de treurige aanblik van veel leegstaande panden tot voor kort. Dominic is in de wolken: “Bro, kijk eens hoe groot die kunstwerken zijn, zo zie je ze tenminste.” Trudo merkt op: “En er zijn ook cartoons bij. Dat tovert een glimlach op het gelaat.”
“Er zijn ook pareltjes bij” weet Dominic. “Kijk deze eens”. Hij blijft voor een etalage staan. Hij zoekt de naam van de kunstenaar en ziet onderaan op de schilderijen staan: Berke.
“Dat is mooi. Het is een beetje surrealistisch. Kijk, boven is het onweer en beneden schijnt de zon.” “En deze met die trollen is humoristisch. Kijk die kleine heeft zijn vinger in de muizenval gestoken ”.
Iets verderop zien ze kunstwerken die gaan over Sint-Truiden. “Hier, deze lijkt op Chagall” “En deze lijkt op Dali.”

“En kijk deze, thé dans le pré, dat is een persiflage op le déjeuner sur l’herbe van Manet, denk ik, met het Speelhof op de achtergrond.”
“Een fantastische kunstenaar, die Berke. Kijk hier staat een aankondiging bij. Hij stelt binnenkort ten toon in de kunstgalerij ‘de Galerie’ in galerie Astrid.”
In het jaar 660
Stichting van de stad
De volgende dag gaan Dominic en Trudo eens kijken naar een demonstratie van een uitvindsel. Op de Grote Markt is het te doen. Er is veel volk komen opdraven. Zelfs de minister-president van de Vlaamse regering is present. Het gaat om de ‘teletijdmachine’, een uitvinding van professor Frank Dewinne. Vandaag is een test gepland: een korte verkenningstrip naar het toekomstige jaar 2029. Er zijn veel kandidaten voor deze eerste vlucht naar de toekomst. Men heeft er niet voor gekozen om het meest geboden geld te laten bepalen wie deze vlucht kan doen. Men heeft een loting voorgenomen onder het volk op de Grote Markt. Uit nieuwsgierigheid doen Dominic en Trudo mee aan die loting. Verrukking op hun gezicht wanneer ze beiden uitgeloot worden! Na enige instructies nemen ze plaats in de teletijdmachine. Professor Frank Dewinne bedient zélf als beroemde tijd- en ruimtereiziger de machine. Hij stelt hen gerust. Hij zal hen na drie dagen terughalen. Spannende ogenblikken. Drie, twee, één, FLITS, daar gaan ze. Dominic en Trudo reizen al vliegend door de tijd.
Dominic en Trudo belanden in een landschap met natuur, bos en veld. Het daagt hen onmiddellijk dat er iets niet klopt. De weinige mensen zijn zo raar gekleed. Er zijn geen auto’s, maar in de plaats is er een boer achter een ossenspan een veld aan het ploegen met een houten ploeg. Dat is duidelijk niet wat ze verwacht hebben. Ze blijven wat onwennig staan. Er komt een koppeltje hun richting uit. Ze kunnen flarden van hun gesprek opvangen. “Olla vôgala hebban nestas bigunnan. Auch djee unde ich.” zegt het meisje. “Joa, auch de blaae vôgel. Unde die famille von de reisetaub.” antwoordt de jongen. Dominic en Trudo stoten elkaar aan. “Bro, we kunnen Plat Sintruins spreken” zegt Dominic. Trudo tempert de bewering “Eerder Hobbelig Sintruins, bedoel je, Bro? Maar ja, we kunnen best dialect praten”. “Het lijkt dat we eerder terug in de tijd zijn beland dan in de toekomst” laat Dominic zich ontvallen. Zou dat kunnen? Inderdaad, Dominic heeft het bij het rechte eind. Vanaf hier gaat het verhaal verder in de verleden tijd, want het speelt …. speelde zich tenslotte in het verleden af.

Ze vielen niet fel op in hun bruine pij en met hun sandalen aan de voeten. Ze waagden om het koppeltje aan te spreken en te vragen waar ze waren. Ze spraken zo plat mogelijk. “Da is die heirbaan” konden ze verstaan. “Unde die beek, da is de Cicindria. Sie noemen da hier Serkinge”. Dominic en Trudo begrepen dat ze dicht bij de plaats van vertrek waren gebleven. “Djeelings het schoen schuun oan” zei het meisje. “Ah, da zen oos sandalle, dei zen mar van den Aldi”. Dominic wou grappig zijn, maar hij begreep dadelijk dat het meisje het niet helemaal verstond. Ze verborgen gauw hun armen achter hun lichamen want ze beseften dat ze allebei een polshorloge aan hadden. Trudo’s tattoo op zijn schouder was gelukkig niet te zien.
Ze werden opgeschrikt door ruiters die aankwamen. Het koppeltje maakte zich snel uit de voeten. Dominic en Trudo verstopten zich aan de rand van het bos. De ruiters hielden halt terwijl ze hun paarden lieten drinken aan de beek. De leider van het groepje keek rond zich. “Da siet er niet slecht aus. Ein bach, die heirbaan, eines dorf. Hei kos ich wal eine niederlassung machen, unde ne kirche bauen”. “Da godje hei toch nè duun, Tru?” wierp een ruiter tegen. “Veurwa nè, zei de leider, ich duun toch wa ich wil. Wee gie mich teigenhaan? Ich sen toch ni veur niks nen eidelman.” Trudo was verrukt zijn naam te horen. Hij wilde uit het struikgewas te voorschijn komen om zijn naamgenoot te groeten, maar Dominic hield hem tegen. Dominic en Trudo beseften nog niet dat ze getuige waren van een historische gebeurtenis.
Het besluit van de leider stond vast. Dominic en Trudo waren nog steeds bevreesd en hielden zich schuil in het bos. Ze sliepen daar en vingen een haas en verzamelden wilde bessen om te eten. De volgende dag al kwam de rest van het gezelschap aan. Ze begonnen onmiddellijk bomen om te hakken en hutten te bouwen. Alweer waren Dominic en Trudo verrukt toen ze zagen dat de meesten monniken waren. Zo voelden ze zich toch een beetje als thuis.
Opeens voelden ze een snok, en nog één. Bij de volgende snok werden ze in de lucht gezogen en zoefden ze door de tijd. FLITS.
In het jaar 1674 In de stad

Dominic en Trudo belandden in Sint-Truiden op de Grote Markt waar ze vertrokken waren. Het klopte nog niet. Ze herkenden de Grote Markt nauwelijks. De mensen waren raar gekleed. Er waren paarden en karren. En er hing een vreemde geur. Ze vroegen aan een omstaander in welk jaar ze waren. De omstaander antwoordde in het dialect. “Wa joor, da weit ich nè. Wa ei da naa vuir belang. Ich weit zelfs nè wij aad ich zen. Vroog et ins on de baljuw doo”. Ze vroegen het aan de man die de omstaander aanwees. “We zijn in het jaar 1674. Veel mensen weten dat niet” zegde hij verschonend. Dominic en Trudo bekeken elkaar. Hun monden vielen open van verbazing.
Dominic en Trudo waren in grote paniek. Ze hadden weer de reflex dat de mensen best niet wisten dat zij uit een andere tijd kwamen. Wie weet riskeerden ze de brandstapel! Ze gingen vlug weg uit de drukte op de Grote Markt. Ze klopten aan de poort van de Minderbroeders aan en legden uit dat ze minderbroeders waren en dat ze op pelgrimstocht waren en dat ze gehoord hadden dat ze bij hun broeders terecht konden. “Natuurlijk, zei de broeder die was komen opendoen, gasten zijn altijd welkom bij ons en zeker collega-minderbroeders.” Hij leidde hen naar een vertrek en vroeg hen daar te wachten. Dominic en Trudo deden haastig hun polshorloges uit en verstopten die in hun pij. Ze voelden zich al heel wat beter, zo dicht bij huis. Ze lieten gewillig het haar op hun kruin kaal scheren. De rol van minderbroeders van vroeger lag hen wel.

Ze hadden een onderkomen voor de nacht. Ze gingen terug de stad in. Dominic begon het avontuurlijke van hun situatie in te zien. Trudo wist dat het een ramp was. Ze merkten dat de mensen zo klein waren en zij zo groot. De vreemde geur kwam van de open riolen, maar ook een beetje van de mensen. Ze stonken een uur in de wind. “Natuurlijk, Bro, de zeep is nog niet uitgevonden” wist Trudo. Ze kwamen langzaam op hun positieven. Ze schatten hun situatie in: ze hadden geen geld en geen inkomen, en ze waren dakloos. De rest van de dag zwierven ze rond in de stad en ze keken hun ogen uit. Ze kwamen aan de abdij. Ze hadden zich een voorstelling gemaakt van hoe de abdijkerk er zou uitzien van voor de brand. Ze herkenden de abdijkerk helemaal niet. In de plaats stond er een zeer grote kerk. De abdijtoren herkenden ze wel als één van de torens van de grote kerk. Ze wandelden langs de vestingmuur die helemaal rondom de stad liep.
Trudo waagde het om iemand aan te spreken om te vragen waar het park was: “menier, moe is et park?” De man keek hem aan alsof hij het in Keulen hoorde donderen. Hij was verbaasd dat iemand hem aansprak met de titel ‘menier’ en hij wist van geen park, hij wist zelfs niet wat een park was. Trudo had dadelijk door dat hij een fout had gemaakt: iemand van het gewone volk aanspreken met een titel die voorbehouden was voor mensen van adel. Iets later kwamen ze aan de plek waar het park behoorde te zijn. Daar waren ze getuige van een buurt met lemen huisjes en strooien daken en waar het stonk naar uitwerpselen van dieren en mensen. De bewoners noemden deze buurt ‘de hel’.
Het werd avond en hun magen begonnen te rammelen want ze hadden enkel ‘s morgens gegeten. Ze besloten in te gaan op het aanbod van de broeder en terug te gaan naar het Minderbroederklooster. Ze mochten mee-eten met de broeders. De andere broeders keken toe hoe zij op het eten aanvlogen: een soort brij die ze gretig opaten met houten lepels. Tijdens de maaltijd las een broeder voor uit de bijbel. Ze togen vroeg naar bed. In de zeer vroege ochtend, om 4 uur, werden ze gewekt en uitgenodigd tot het nachtgebed. Ze werden aanzien als Minderbroeders, en dat waren ze tenslotte ook. Daarna gingen ze weer naar bed.
1674 Op den buiten
De volgende dag namen Dominic en Trudo zich voor om een beetje geld te verdienen. Ze dachten dat hun beste kansen op de buiten lagen want het was midden augustus, de tijd van de oogst. Reeds vroeg in de ochtend wandelden ze de stad buiten door de Brustempoort. De torenwachter wuifde naar hen. Ze stapten via de Aalsterweg naar het dorp Aalst onder Mielen. Ze zagen een boer met paard en een lege kar. Ze volgden hem en kwamen aan een veld waar veel volk samen was om tot de oogst over te gaan met de zeis. Ze gaven te kennen dat ze ook wilden helpen met oogsten en ze werden aangenomen als dagloners. Het was hard werken. Ze zweetten onder hun pijen. ’s Middags kregen ze brood te eten en water te drinken en pauze om even te rusten.
Aan het eind van de werkdag werd het koren op de wagen geladen en naar de schuur van een herenboerderij gebracht. Er werd hen een slaapplaats aangeboden op een hooizolder. Hun avondmaal bestond uit een homp brood en een eindje worst. Ze vielen in slaap als een blok.

De volgende dag nog van hetzelfde. Ze knoopten een gesprek aan met de landarbeiders. Het nieuws van de laatste dagen beroerde hen erg. Er was een heks levend verbrand in Mettekoven. Ze heette Johanna Michiels, ofwel Tjenne. De mensen vertelden dat haar hekserij erin bestond kwaaie daden te hebben gepleegd en dat ze duistere machten had. Het proces had twee jaar geduurd. Dominic en Trudo waren onder de indruk van wat ze hoorden. Over de hekserij maar evengoed over het feit dat het gerecht in die dagen er ook lang over deed om een uitspraak te vellen. Tjenne had bekend, weliswaar onder marteling. De beul had een schrik gepakt toen hij haar, vastgebonden aan een paal, aankeek. Hij had dan maar gauw de fakkel aan de brandstapel gehouden. Zij had ijselijk gegild. De toeschouwers die het voortverteld hadden, zegden dat de stank van verschroeid vlees tot ver in de omtrek te rieken was.
De derde dag begon weer met hetzelfde. De oogst zat er bijna op. Het werk werd vroeger gestopt want het oogsten werd die dag voltooid. Voor Dominic en Trudo niets te vroeg want ze waren bekaf. Ze waren getuige van de terugkeer van de kudde: de koeien die terugkwamen van de gemeenschappelijke weide, de ‘gemeijnte’ waar ze in de koeiencrêche gebleven waren voor de dag. Een aandoenlijk schouwspel, het deed hen denken aan het beroemd werk van Pieter Broskam.
Er wachtte hen een leuke verrassing toen ze in het dorp kwamen want daar werden de voorbereidselen al getroffen voor het oogstfeest. Toen het feest losbarste bleek er bier en pannenkoeken en pensen in overvloed te zijn. Er waren muzikanten die doedelzak speelden. Er werd gedanst. Dominic en Trudo deden vlijtig mee, ook al droegen ze nog steeds hun pij. Een paar feestvierders vertrouwden hen toe dat het niet altijd zo plezant was als bij deze pensenkermis. In de winter, vertelden ze, moesten sommigen vogels vangen om te eten te hebben, eerst eenden en later ook kraaien en spreeuwen. Toen de nacht inviel nodigden twee meiden hen uit om te komen slapen op hun hooizolder. De meiden waren al even aangeschoten als de twee broeders. Wat er die nacht gebeurde wist niemand de volgende dag nog te vertellen. Wel was het zo dat Dominic en Trudo elk in een andere hoek van de hooizolder wakker werden naast één van de meiden.
1674 Terug in de stad
De oogst zat erop en ze hadden wat geld verdiend waarmee ze een tijdje konden rondkomen. Ze togen terug naar de stad. Toen ze de stad naderden stonden ze versteld van hoe mooi de aanblik was. Ze waren een beetje nerveus toen ze bij de Brustempoort aankwamen. Maar gelukkig was het dezelfde poortwachter die hen herkende van een paar dagen daarvoor. Ze gingen recht naar een herberg en bestelden er elk een pot bier. De waard raadde hen een bier aan van de abdij. Het bier schuimde mooi maar de smaak was niet dezelfde als van het abdijbier dat Dominic en Trudo kenden. Toen ze er iets over vroegen aan de waard, antwoordde hij dat nochtans zuiver water van de Cicindriabeek was gebruikt en dat het bier bewaard was in echte houten vaten. Dominic en Trudo fronsten de wenkbrauwen: ‘zuiver water van de Cicindriabeek’ dat konden ze niet goed geloven. Ze betaalden met klinkende munt.
Ze gingen een kijkje nemen binnen in de abdij. Ze zagen de Trudomolen op de Cicindria en de hoevegebouwen van de abdij. Ze hoorden dat de abt Ammandus heette. Ze vernamen ook dat er in Sint-Truiden ‘tweeheerlijkheid’ was: het ene deel hing af van de abdij, het andere deel van het stadsbestuur. De grens lag ter hoogte van de Zoutstraat. ‘s Avonds trokken ze terug naar het Minderbroederklooster. Ze voelden zich beter thuis in devoot gezelschap want ze hadden gehoord dat het er in de abdij soms nogal frivool aan toe ging. In de herberg had men er de draak mee gestoken en had men het liedje gezongen van ‘dansen met de paterkes’.
Dansen met de paterkes
Dansen in d'abdij
Dansen met de paterkes
Van a een, a twee, a drij

Bij het avondmaal werd er weer voorgelezen uit de bijbel. De broeders aten in stilte. Ze zegden geen woord tijdens het eten. Vermits er toch niets te doen was ‘s avonds gingen ze maar vlug naar hun cellen om te slapen. Ze werden weer om 4 uur gewekt voor het nachtgebed. De volgende ochtend stonden ze fris op. Het was zaterdag, marktdag. Dat wilden ze wel eens afkijken. Er stonden kraampjes met brood, met eieren, met vlees, met groenten en fruit, met linnen en met wollen laken, met schoeisel en laarzen van leer. Er was ook een hoek met levend vee: kuikens, kippen, schapen. De varkens en ook de koeien stonden op de varkensmarkt. Dominic en Trudo kenden het als het Minderbroedersplein, maar ze wisten dat dat vroeger ‘de varkenmarkt’ heette. Ze bleven staan bij een marktkramer met een zeer klein kraampje: gewoon een plank waarop kleine broden te koop lagen. Dominic stootte Trudo aan: “Kijk, Bro, pistoleekes”. Ze hadden goesting en dus kochten ze een paar ‘pistoleekes’. Ze vonden wel dat ze een beetje raar roken. Er hing precies een geurtje aan, zegden ze tegen elkaar.
Even later zetten ze hun tanden in de pistoleekes. Ze spuwden meteen hun mond weer leeg: bah! Ze zochten de marktkramer van wie ze deze pistoleekes hadden gekocht. Ze vonden hem niet op de plaats waar hij had gestaan. De marktkramers die hun kraam in de buurt hadden, zegden dat ze hem niet kenden en dat ze wel dachten dat het een opichter was. Waarschijnlijk zijn het paardendrollen die hij verkocht als zoete broodjes. Warempel, opgelicht!
Na de middag was er een spektakel aangekondigd. Het werd omgeroepen van op de toren van het stadhuis na het beiaardspel. “Tijl Uilenpiegel is in de stad en hij zal op een touw gaan van de toren van het stadhuis naar de toren van de hoofdkerk”. Inderdaad, er was een touw gespannen tussen het stadhuis en de kerk. Er verzamelde zich een grote menigte om dit spetakel te zien. Tijl Uilenspiegel, in narrenpak met opvallende kleuren, verscheen op het balkon van het stadhuis. Hij balanceerde gevaarlijk met een lange stok met aan weerszijden een zwaar uitziende bol. Het publiek applaudisseerde enthousiast toen hij de kerktoren bereikte. Dominic en Trudo durfden het niet goed tegen elkaar zeggen, maar ze dachten allebei dat ze de marktkramer van de pistoleekes herkenden in Tijl Uilenspiegel.
Plots voelden ze een snok. Dan nog één. FLITS.
wordt vervolgd