De naam ‘fantastisch’ staat voor de oorspronkelijke betekenis van het woord: rijk aan fantasie.

Het verhaal hierna gaat over twee jonge minderbroeders als tijdreizigers.

1.  Twee minderbroeders op tijdreis

 In het jaar 2026

 

Dominic en Trudo zijn twee van de laatste minderbroeders. Ze zijn beide jonge kerels. Ze hebben ‘de laatste der Mohikanen’ gelezen en hebben gevonden dat dit iets voor hen is. Ze zijn dan ingetreden als broeders. Bij hun intrede-ceremonie werd hen de keuze gegeven om een bruine pij te dragen of zich voor te doen als gewone mensen. Ze namen de belofte van armoede letterlijk en besloten om een pij te dragen.                                                  Trudo is ingeschakeld bij het museum De Mindere. Dominic onderhoudt de minderbroederstuin, kookt en wast. De laatste minderbroeder behalve zijzelf, de zogenaamde gardiaan, heeft het klooster verlaten om elders te gaan wonen. Ze hebben het rijk voor hen alleen.

De stad heeft reeds jaren de erfpacht verworven over de site. De kerk doet dienst voor allerlei activiteiten. De schaatsbaan in de kerstperiode is een echte topper. Vele delegaties van steden uit binnen- en buitenland zijn komen kijken. Het initiatief heeft al hier en daar navolging gekregen. 2026 is het Trudojaar en er zijn vele activiteiten gepland. In november van het voorbije jaar is het begonnen met een optocht van de verenigingen met vaandels door de stad. De apotheose is voorzien in het najaar.

 

Het is zaterdagmiddag. De Grote Markt wordt schoongeveegd van de markt. Ze zijn getuige van het opnieuw opbouwen voor iets anders. Ze blijven het gadeslaan want ze zijn gewoon dat het marktplein dadelijk terug ingenomen wordt door parkerende auto’s. “Wat gebeurt er?” vragen ze aan een caféhouder. “Ah, nu komen de fruitige fietsjes voor de kinderen, is het antwoord; de namen van die gekke fietsen vind ik goed: Pom, Pwaar, Keez, Jaadbèrt; er is ook een Lachkriek en een Reinekloot.”

Ze hebben gemerkt dat in de etalages van leegstaande winkelpanden in de Luikerstraat en in de Stapelstraat kunstwerken zijn geplaatst, en dat er stickers op vitrines van leegstaande winkels zijn. Dit is een nieuwigheid. Ze gaan een kijkje nemen. Ze zijn blij verrast en vinden dat dit bijdraagt aan de aangename sfeer die de winkelstraten nu uitstralen. Ze vergelijken met de treurige aanblik van veel leegstaande panden tot voor kort. Dominic is in de wolken: “Bro, kijk eens hoe groot die kunstwerken zijn, zo zie je ze tenminste.” Trudo merkt op: “En er zijn ook cartoons bij. Dat tovert een glimlach op het gelaat.”

“Er zijn ook pareltjes bij” weet Dominic. “Kijk deze eens”. Hij blijft voor een etalage staan. Hij zoekt de naam van de kunstenaar en ziet onderaan op de schilderijen staan: Berke.

“Dat is mooi. Het is een beetje surrealistisch. Kijk, boven is het onweer en beneden schijnt de zon.”  “En deze met die trollen is humoristisch. Kijk die kleine heeft zijn vinger in de muizenval gestoken ”.

Iets verderop zien ze kunstwerken die gaan over Sint-Truiden. “Hier, deze lijkt op Chagall”  “En deze lijkt op Dali.”

 

“En kijk deze, thé dans le pré, dat is een persiflage op le déjeuner sur l’herbe van Manet, denk ik, met het Speelhof op de achtergrond.”

“Een fantastische kunstenaar, die Berke. Kijk hier staat een aankondiging bij. Hij stelt binnenkort ten toon in de kunstgalerij ‘de Galerie’ in galerie Astrid.”

 

 

 

 


In het jaar 660 

Stichting van de stad

 

De volgende dag gaan Dominic en Trudo eens kijken naar een demonstratie van een uitvindsel. Op de Grote Markt is het te doen. Er is veel volk komen opdraven. Zelfs de minister-president van de Vlaamse regering is present. Het gaat om de ‘teletijdmachine’, een uitvinding van professor Frank Dewinne. Vandaag is een test gepland: een korte verkenningstrip naar het toekomstige jaar 2029. Er zijn veel kandidaten voor deze eerste vlucht naar de toekomst. Men heeft er niet voor gekozen om het meest geboden geld te laten bepalen wie deze vlucht kan doen. Men heeft een loting voorgenomen onder het volk op de Grote Markt. Uit nieuwsgierigheid doen Dominic en Trudo mee aan die loting. Verrukking op hun gezicht wanneer ze beiden uitgeloot worden! Na enige instructies nemen ze plaats in de teletijdmachine. Professor Frank Dewinne bedient zélf als beroemde tijd- en ruimtereiziger de machine. Hij stelt hen gerust. Hij zal hen na drie dagen terughalen. Spannende ogenblikken. Drie, twee, één, FLITS, daar gaan ze. Dominic en Trudo reizen al vliegend door de tijd. 

Dominic en Trudo belanden in een landschap met natuur, bos en veld. Het daagt hen onmiddellijk dat er iets niet klopt. De weinige mensen zijn zo raar gekleed. Er zijn geen auto’s, maar in de plaats is er een boer achter een ossenspan een veld aan het ploegen met een houten ploeg. Dat is duidelijk niet wat ze verwacht hebben. Ze blijven wat onwennig staan. Er komt een koppeltje hun richting uit. Ze kunnen flarden van hun gesprek opvangen. “Olla vôgala hebban nestas bigunnan. Auch djee unde ich.” zegt het meisje. “Joa, auch de blaae vôgel. Unde die famille von de reisetaub.” antwoordt de jongen. Dominic en Trudo stoten elkaar aan. “Bro, we kunnen Plat Sintruins spreken” zegt Dominic. Trudo tempert de bewering “Eerder Hobbelig Sintruins, bedoel je, Bro? Maar ja, we kunnen best dialect praten”. “Het lijkt dat we eerder terug in de tijd zijn beland dan in de toekomst” laat Dominic zich ontvallen. Zou dat kunnen? Inderdaad, Dominic heeft het bij het rechte eind.                                                                                                                    Vanaf hier gaat het verhaal verder in de verleden tijd, want het speelt …. speelde zich tenslotte in het verleden af. 

Ze vielen niet fel op in hun bruine pij en met hun sandalen aan de voeten. Ze waagden om het koppeltje aan te spreken en te vragen waar ze waren. Ze spraken zo plat mogelijk. “Da is die heirbaan” konden ze verstaan. “Unde die beek, da is de Cicindria. Sie noemen da hier Serkinge”. Dominic en Trudo begrepen dat ze dicht bij de plaats van vertrek waren gebleven. “Djeelings het schoen schuun oan” zei het meisje. “Ah, da zen oos sandalle, dei zen mar van den Aldi”. Dominic wou grappig zijn, maar hij begreep dadelijk dat het meisje het niet helemaal verstond. Ze verborgen gauw hun armen achter hun lichamen want ze beseften dat ze allebei een polshorloge aan hadden. Trudo’s tattoo op zijn schouder was gelukkig niet te zien.

Ze werden opgeschrikt door ruiters die aankwamen. Het koppeltje maakte zich snel uit de voeten. Dominic en Trudo verstopten zich aan de rand van het bos. De ruiters hielden halt terwijl ze hun paarden lieten drinken aan de beek. De leider van het groepje keek rond zich. “Da siet er niet slecht aus. Ein bach, die heirbaan, eines dorf. Hei kos ich wal eine niederlassung machen, unde ne kirche bauen”. “Da godje hei toch nè duun, Tru?” wierp een ruiter tegen. “Veurwa nè, zei de leider, ich duun toch wa ich wil. Wee gie mich teigenhaan? Ich sen toch ni veur niks nen eidelman.” Trudo was verrukt zijn naam te horen. Hij wilde uit het struikgewas te voorschijn komen om zijn naamgenoot te groeten, maar Dominic hield hem tegen. Dominic en Trudo beseften nog niet dat ze getuige waren van een historische gebeurtenis.

Het besluit van de leider stond vast. Dominic en Trudo waren nog steeds bevreesd en hielden zich schuil in het bos. Ze sliepen daar en vingen een haas en verzamelden wilde bessen om te eten. De volgende dag al kwam de rest van het gezelschap aan. Ze begonnen onmiddellijk bomen om te hakken en hutten te bouwen. Alweer waren Dominic en Trudo verrukt toen ze zagen dat de meesten monniken waren. Zo voelden ze zich toch een beetje als thuis.

Opeens voelden ze een snok, en nog één. Bij de volgende snok werden ze in de lucht gezogen en zoefden ze door de tijd. FLITS.


In het jaar 1674    In de stad

Dominic en Trudo belandden in Sint-Truiden op de Grote Markt waar ze vertrokken waren. Het klopte nog niet. Ze herkenden de Grote Markt nauwelijks. De mensen waren raar gekleed. Er waren paarden en karren. En er hing een vreemde geur. Ze vroegen aan een omstaander in welk jaar ze waren. De omstaander antwoordde in het dialect. “Wa joor, da weit ich nè. Wa ei da naa vuir belang. Ich weit zelfs nè wij aad ich zen. Vroog et ins on de baljuw doo”. Ze vroegen het aan de man die de omstaander aanwees. “We zijn in het jaar 1674. Veel mensen weten dat niet” zegde hij verschonend. Dominic en Trudo bekeken elkaar. Hun monden vielen open van verbazing.

Dominic en Trudo waren in grote paniek. Ze hadden weer de reflex dat de mensen best niet wisten dat zij uit een andere tijd kwamen. Wie weet riskeerden ze de brandstapel! Ze gingen vlug weg uit de drukte op de Grote Markt. Ze klopten aan de poort van de Minderbroeders aan en legden uit dat ze minderbroeders waren en dat ze op pelgrimstocht waren en dat ze gehoord hadden dat ze bij hun broeders terecht konden. “Natuurlijk, zei de broeder die was komen opendoen, gasten zijn altijd welkom bij ons en zeker collega-minderbroeders.” Hij leidde hen naar een vertrek en vroeg hen daar te wachten. Dominic en Trudo deden haastig hun polshorloges uit en verstopten die in hun pij. Ze voelden zich al heel wat beter, zo dicht bij huis. Ze lieten gewillig het haar op hun kruin kaal scheren. De rol van minderbroeders van vroeger lag hen wel.

Ze hadden een onderkomen voor de nacht. Ze gingen terug de stad in. Dominic begon het avontuurlijke van hun situatie in te zien. Trudo wist dat het een ramp was. Ze merkten dat de mensen zo klein waren en zij zo groot. De vreemde geur kwam van de open riolen, maar ook een beetje van de mensen. Ze stonken een uur in de wind. “Natuurlijk, Bro, de zeep is nog niet uitgevonden” wist Trudo. Ze kwamen langzaam op hun positieven. Ze schatten hun situatie in: ze hadden geen geld en geen inkomen, en ze waren dakloos.                                                  De rest van de dag zwierven ze rond in de stad en ze keken hun ogen uit. Ze kwamen aan de abdij. Ze hadden zich een voorstelling gemaakt van hoe de abdijkerk er zou uitzien van voor de brand. Ze herkenden de abdijkerk helemaal niet. In de plaats stond er een zeer grote kerk. De abdijtoren herkenden ze wel als één van de torens van de grote kerk. Ze wandelden langs de vestingmuur die helemaal rondom de stad liep.

Trudo waagde het om iemand aan te spreken om te vragen waar het park was: “menier, moe is et park?” De man keek hem aan alsof hij het in Keulen hoorde donderen. Hij was verbaasd dat iemand hem aansprak met de titel ‘menier’ en hij wist van geen park, hij wist zelfs niet wat een park was. Trudo had dadelijk door dat hij een fout had gemaakt: iemand van het gewone volk aanspreken met een titel die voorbehouden was voor mensen van adel. Iets later kwamen ze aan de plek waar het park behoorde te zijn. Daar waren ze getuige van een buurt met lemen huisjes en strooien daken en waar het stonk naar uitwerpselen van dieren en mensen. De bewoners noemden deze buurt ‘de hel’.

Het werd avond en hun magen begonnen te rammelen want ze hadden enkel ‘s morgens gegeten. Ze besloten in te gaan op het aanbod van de broeder en terug te gaan naar het Minderbroederklooster. Ze mochten mee-eten met de broeders. De andere broeders keken toe hoe zij op het eten aanvlogen: een soort brij die ze gretig opaten met houten lepels. Tijdens de maaltijd las een broeder voor uit de bijbel. Ze togen vroeg naar bed.                                                                                                                                            In de zeer vroege ochtend, om 4 uur, werden ze gewekt en uitgenodigd tot het nachtgebed. Ze werden aanzien als Minderbroeders, en dat waren ze tenslotte ook. Daarna gingen ze weer naar bed.


1674     Op de buiten

De volgende dag namen Dominic en Trudo zich voor om een beetje geld te verdienen. Ze dachten dat hun beste kansen op de buiten lagen want het was midden augustus, de tijd van de oogst. Reeds vroeg in de ochtend wandelden ze de stad buiten door de Brustempoort. De torenwachter wuifde naar hen. Ze stapten via de Aalsterweg naar het dorp Aalst onder Mielen. Ze zagen een boer met paard en een lege kar. Ze volgden hem en kwamen aan een veld waar veel volk samen was om tot de oogst over te gaan met de zeis. Ze gaven te kennen dat ze ook wilden helpen met oogsten en ze werden aangenomen als dagloners. Het was hard werken. Ze zweetten onder hun pijen. ’s Middags kregen ze brood te eten en water te drinken en pauze om even te rusten.

Aan het eind van de werkdag werd het koren op de wagen geladen en naar de schuur van een herenboerderij gebracht. Er werd hen een slaapplaats aangeboden op een hooizolder. Hun avondmaal bestond uit een homp brood en een eindje worst. Ze vielen in slaap als een blok.

De volgende dag nog van hetzelfde. Ze knoopten een gesprek aan met de landarbeiders. Het nieuws van de laatste dagen beroerde hen erg. Er was een heks levend verbrand in Mettekoven. Ze heette Johanna Michiels, ofwel Tjenne. De mensen vertelden dat haar hekserij erin bestond kwaaie daden te hebben gepleegd en dat ze duistere machten had. Het proces had twee jaar geduurd. Dominic en Trudo waren onder de indruk van wat ze hoorden. Over de hekserij maar evengoed over het feit dat het gerecht in die dagen er ook lang over deed om een uitspraak te vellen. Tjenne had bekend, weliswaar onder marteling. De beul had een schrik gepakt toen hij haar, vastgebonden aan een paal, aankeek. Hij had dan maar gauw de fakkel aan de brandstapel gehouden. Zij had ijselijk gegild. De toeschouwers die het voortverteld hadden, zegden dat de stank van verschroeid vlees tot ver in de omtrek te rieken was.

 

 

De derde dag begon weer met hetzelfde. De oogst zat er bijna op. Het werk werd vroeger gestopt want het oogsten werd die dag voltooid. Voor Dominic en Trudo niets te vroeg want ze waren bekaf. Ze waren getuige van de terugkeer van de kudde: de koeien die terugkwamen van de gemeenschappelijke weide, de ‘gemeijnte’ waar ze in de koeiencrêche gebleven waren voor de dag. Een aandoenlijk schouwspel, het deed hen denken aan het beroemd werk van Pieter Broskam.

 

Er wachtte hen een leuke verrassing toen ze in het dorp kwamen want daar werden de voorbereidselen al getroffen voor het oogstfeest. Toen het feest losbarste bleek er bier en pannenkoeken en pensen in overvloed te zijn. Er waren muzikanten die doedelzak speelden. Er werd gedanst. Dominic en Trudo deden vlijtig mee, ook al droegen ze nog steeds hun pij. Een paar feestvierders vertrouwden hen toe dat het niet altijd zo plezant was als bij deze pensenkermis. In de winter, vertelden ze, moesten sommigen vogels vangen om te eten te hebben, eerst eenden en later ook kraaien en spreeuwen. Toen de nacht inviel nodigden twee meiden hen uit om te komen slapen op hun hooizolder. De meiden waren al even aangeschoten als de twee broeders. Wat er die nacht gebeurde wist niemand de volgende dag nog te vertellen. Wel was het zo dat Dominic en Trudo elk in een andere hoek van de hooizolder wakker werden naast één van de meiden.


1674      Terug in de stad

De oogst zat erop en ze hadden wat geld verdiend waarmee ze een tijdje konden rondkomen. Ze togen terug naar de stad. Toen ze de stad naderden stonden ze versteld van hoe mooi de aanblik was. Ze waren een beetje nerveus toen ze bij de Brustempoort aankwamen. Maar gelukkig was het dezelfde poortwachter die hen herkende van een paar dagen daarvoor. Ze gingen recht naar een herberg en bestelden er elk een pot bier. De waard raadde hen een bier aan van de abdij. Het bier schuimde mooi maar de smaak was niet dezelfde als van het abdijbier dat Dominic en Trudo kenden. Toen ze er iets over vroegen aan de waard, antwoordde hij dat nochtans zuiver water van de Cicindriabeek was gebruikt en dat het bier bewaard was in echte houten vaten. Dominic en Trudo fronsten de wenkbrauwen: ‘zuiver water van de Cicindriabeek’ dat konden ze niet goed geloven. Ze betaalden met klinkende munt.

Ze gingen een kijkje nemen binnen in de abdij. Ze zagen de Trudomolen op de Cicindria en de hoevegebouwen van de abdij. Ze hoorden dat de abt Ammandus heette. Ze vernamen ook dat er in Sint-Truiden ‘tweeheerlijkheid’ was: het ene deel hing af van de abdij, het andere deel van het stadsbestuur. De grens lag ter hoogte van de Zoutstraat. ‘s Avonds trokken ze terug naar het Minderbroederklooster. Ze voelden zich beter thuis in devoot gezelschap want ze hadden gehoord dat het er in de abdij soms nogal frivool aan toe ging. In de herberg had men er de draak mee gestoken en had men het liedje gezongen van ‘dansen met de paterkes’.

Dansen met de paterkes

Dansen in d'abdij

Dansen met de paterkes

Van a een, a twee, a drij

 

Bij het avondmaal werd er weer voorgelezen uit de bijbel. De broeders aten in stilte. Ze zegden geen woord tijdens het eten. Vermits er toch niets te doen was ‘s avonds gingen ze maar vlug naar hun cellen om te slapen. Ze werden weer om 4 uur gewekt voor het nachtgebed.            De volgende ochtend stonden ze fris op. Het was zaterdag, marktdag. Dat wilden ze wel eens afkijken. Er stonden kraampjes met brood, met eieren, met vlees, met groenten en fruit, met linnen en met wollen laken, met schoeisel en laarzen van leer. Er was ook een hoek met levend vee: kuikens, kippen, schapen. De varkens en ook de koeien stonden op de varkensmarkt. Dominic en Trudo kenden het als het Minderbroedersplein, maar ze wisten dat dat vroeger ‘de varkenmarkt’ heette. 

Ze bleven staan bij een marktkramer met een zeer klein kraampje: gewoon een plank waarop kleine broden te koop lagen. Dominic stootte Trudo aan: “Kijk, Bro, pistoleekes”. Ze hadden goesting en dus kochten ze een paar ‘pistoleekes’. Ze vonden wel dat ze een beetje raar roken. Er hing precies een geurtje aan, zegden ze tegen elkaar.                                                                                                Even later zetten ze hun tanden in de pistoleekes. Ze spuwden meteen hun mond weer leeg: bah! Ze zochten de marktkramer van wie ze deze pistoleekes hadden gekocht. Ze vonden hem niet op de plaats waar hij had gestaan. De marktkramers die hun kraam in de buurt hadden, zegden dat ze hem niet kenden en dat ze wel dachten dat het een opichter was. Waarschijnlijk zijn het paardendrollen die hij verkocht als zoete broodjes. Warempel, opgelicht!

Na de middag was er een spektakel aangekondigd. Het werd omgeroepen van op de toren van het stadhuis na het beiaardspel. “Tijl Uilenpiegel is in de stad en hij zal op een touw gaan van de toren van het stadhuis naar de toren van de hoofdkerk”. Inderdaad, er was een touw gespannen tussen het stadhuis en de kerk. Er verzamelde zich een grote menigte om dit spetakel te zien. Tijl Uilenspiegel, in narrenpak met opvallende kleuren, verscheen op het balkon van het stadhuis. Hij balanceerde gevaarlijk met een lange stok met aan weerszijden een zwaar uitziende bol. Het publiek applaudisseerde enthousiast toen hij de kerktoren bereikte. Dominic en Trudo durfden het niet goed tegen elkaar zeggen, maar ze dachten allebei dat ze de marktkramer van de pistoleekes herkenden in Tijl Uilenspiegel.

Plots voelden ze een snok. Dan nog één. FLITS.


1810    On parle français

Dominic en Trudo zweefden door de lucht en door de tijd. Ze kwamen met een harde plof neer op de grond. Het deed pijn aan hun achterwerk. Maar de pijn verhinderde hen niet van snel na te denken. Ze waren weer in een andere tijd terechtgekomen. Ze waren wel op de Grote Markt. Maar ze waren al dadelijk ontgoocheld te merken dat het niet 2026 was. Ze zagen veel paarden en koetsen. Het stonk iets minder. Ze keken elkaar aan. Ze dachten allebei “Weer mis! Kunnen ze dan niets ineens goed doen?” Het was tenminste bekend terrein maar dan weer in een andere tijd. Niet getreurd, uitvissen welke tijd. Ze begaven zich over de Grote Markt opnieuw naar de abdij. Ze zagen dit als hun aanknopingspunt. Hun verbazing was groot toen ze daar een andere kerk zagen dan de heel grote kerk van daarnet. En een monumentale poort naar de Grote Markt toe. “Die stijl, Bro, dat is toch Barok?” opperde Trudo. “Ja Bro, dat denk ik ook, al ben ik niet helemaal zeker want ik heb nooit goed opgelet in de geschiedenisles” zei Dominic.

Opeens hoorden ze achter zich een bel rinkelen. Het was de belleman. Hij riep met luide stem, maar in het Frans: “Chers citoyens de Saint-Trond et environs, j’ai l’honneur de vous anoncer qu’il est exact trois heures de l’après-midi et qu’ aujourd’hui le soleil va briller tout le jour.” “O.K., dat weten we dan ook weer” zei Dominic laconiek “maar in het Frans, wat mag er gebeurd zijn?” Ze waagden het te vragen. Ze hadden gehoord dat de man die ze aanspraken een Truienaar was en dat hij dialect praatte. En dus stelden ze hun vraag in het dialect: “Wa is doo gebuird, menier?” “Ah, de Franse revoluuse is tot hei gekoume, wal bij geweld”. “Bij geweld?” “Joa, Napoleon, de groete man in Europa, hei al intige orlogskes gevuurd, zura”. Dominic en Trudo wisten dus bij benadering in welke tijd ze terechtgekomen waren. De man wist ook nog te vertellen dat, naar het schijnt, Napoleon in de abdij zijn paard de trappen naar boven had laten bestijgen. Maar hij betwijfelde of dit echt gebeurd was, het kon ook zomaar een gerucht geweest zijn. 

Hij wist ook te vertellen dat er in de abdij een zaal mooi beschilderd was. En dat men hem nu de ‘keizerszaal’ noemde, ter ere van Napoleon. Hij voegde er fluisterend aan toe: “Een kwestie van kont-likken, weidjenè”. “De minse zen wal content van et nief wetboek, de Code Napoleon” wist hij nog te vertellen.

1810    Verblijf op het begijnhof

 

Dominic en Trudo gingen een ander deel van de stad verkennen. Zo kwamen ze aan het begijnhof. Dat lag er een beetje verlaten bij. Een vrouwtje, zichtbaar op haar hoede, kwam naar hen toe. Ze had gezien dat Dominic en Trudo geen locals waren - of toch geen locals van dezelfde tijd -. Ze vroeg hen of ze niet op zoek waren naar een onderkomen om te overnachten. “Dat zijn we per toeval wél” zegden de twee broeders in koor. Ze leidde hen naar haar huisje op het begijnhof. Binnen praatte ze vrijer: “Sinds de Fransen en het anti-clericalisme zijn de huizen op het begijnhof onteigend, en moeten we oppassen”. De vrouw was begijn geweest en had het huis waar ze vroeger naast woonde weten te kopen. Dit was nu haar woonst. Ze durfde er niet goed voor uitkomen dat ze een begijn was geweest, ze voelde zich wel nog zo. Omdat ze weinig middelen had voor haar levensonderhoud, trachtte ze een paar kamers in haar huisje te verhuren. Dominic en Trudo waren er goed mee geholpen. Ze hadden nog muntstukken van 1674. Ze vroegen zich wel af of die nog geldig zouden zijn.

Een stenen beeld van een jonge vrouw zat op een bank. Ze voelden precies of de ogen van dat beeld hen priemde. “Oh, dat is Christina” zei het vrouwtje. Ze fluisterde het verhaal van Christina: “De heilige Christina de wonderbaarlijke doolde hier veel rond, in het begijnhof en in de streek. Toen ze hoorde dat de Franse republikeinse legers aankwamen, versteende ze van schrik want ze had gehoord van hun anti-clericale reputatie. Sindsdien is ze op die bank blijven zitten als een stenen beeld. Bewoners van het begijnhof hadden eerst een opschrift aan haar voeten in steen gebeiteld. Later hebben ze het uit voorzichtigheid ingekort: van ‘de heilige Christina de wonderbaarlijke’ hebben ze gewoon ‘Christina’ gemaakt. Het schijnt dat ze helderziend is en dat het verleden en het heden en zelfs de toekomst geen geheimen heeft voor haar. Ze zou een voorspelling gedaan hebben dat er ooit een geniale knutselaar een ‘astronomisch uurwerk” zal maken en dat dit hier op het begijnhof zal ondergebracht worden”. Dominic: “Onwaarschijnlijk!”. Trudo bekeek hem om te waarschuwen niets te verklappen.  Dominic en Trudo meenden stukken van dat verhaal te herkennen. Ze dachten wel dat het vrouwtje er een schepje bovenop had gedaan zoals toeristische gidsen wel eens doen om het verhaal interessanter te maken. Ze wierpen nog een blik op het beeld. Ze dachten allebei dat ze het beeld zagen knipogen. Ze zegden het niet tegen elkaar. Ze wilden zichzelf niet belachelijk maken door zoiets voor echt aan te nemen. Heimelijk speelden ze toch met de gedachte dat een heilige maagd naar hen geknipoogd had. Ze droomden allebei van hetzelfde.

’s Anderendaags werden ze gewekt door de lekkere geur van gebakken eitjes. De gastvrouw vertelde  dat ze eitjes had van de kippen die ze hield. Haar kippen en die van de buren liepen op straat rond, zoals dat de gewoonte was. De vrouw bekeek de muntstukken wantrouwig. “Dat is waarschijnlijk van een andere streek, in elk geval niet van hier” zei ze. Dominic en Trudo drongen niet aan. Ze wisten dat ze opnieuw geld moesten gaan verdienen. 

Ze trokken erop uit naar buiten. Ze gingen voorbij het Speelhof dat er uitzag zoals ze zich hadden voorgesteld. Het Speelhof behoorde ooit bij de abdij. Het zal ook wel verkocht zijn na de Franse revolutie, dacht Trudo. Iets verderop kwamen ze in Melveren. Daar begon het plots te regenen. Ze gingen schuilen in een koeienstal. Ze hadden er het prettig gezelschap van vier koeien. Die lieten hen juist genoeg plaats om recht te staan in de stal. Die koeien kunnen toch tegen de regen, dachten Dominic en Trudo. Ze duwden ze buiten en maakten zo plaats om te zitten. Dominic had niet goed gekeken waar hij zich neerzette en ging in een koeienflap zitten. “Godverdomme!” riep hij uit, en onmiddellijk daarna herpakte hij zich: “God-verbiedt-het-vloeken”. Hij was tenslotte nog altijd een broeder, ook al was dat in deze tijd niet ‘bon ton’.

In Melveren vonden ze allooi bij een dakdekker die op zoek was naar helpers om een strooien dak te herstellen. Ze keerden vermoeid terug huiswaarts, ’t is te zeggen naar het huisje op het begijnhof. De volgende twee dagen gingen ze nog helpen bij de dakdekker. Daar hoorden ze van andere helpers van de dakdekker een verhaal vertellen over ene ‘Suske de poep’.  Het was een verhaal dat zich lang geleden in de streek had voorgedaan, maar de mensen vertelden er blijkbaar nog graag over. Die Suske de poep had een bende bokkenrijders aangevoerd. Ze hadden een brandbrief aan de poort van een winning uitgehangen. Ze hadden ermee gedreigd de schuur in brand te steken tenzij de pachter een som losgeld zou betalen. Ze hadden hun dreiging uitgevoerd en de schuur in de fik gestoken. Dat was gebeurd aan een winning in Schurhoven, net buiten de stadswallen van Sint-Truiden. Maar dat verhaal kennen wij toch, dachten Dominic en Trudo, de gebrande winning!

Toen zat het werk aan het dak er op en hadden ze terug geld, in de eerste plaats om de vrouw te betalen voor het onderkomen. De dag nadien besloten ze terug de stad in te gaan. De beiaard speelde. Ze waren blij dat ze dat geluid herkenden dat eeuwen had doorstaan. Ze kwamen door de Schepen de Jongh straat. Enfin, deze straat heette toen niet zo want de bewuste schepen leefde pas meer dan een eeuw nadien. De straat heette de ‘Koestraat’. Ze merkten dat er veel slagers of beenhouwers waren in die omgeving. 

Opeens weer een harde snok. Nog een snok. Dominic en Trudo wisten al wat dit betekende. Ze hoopten en baden dat ze terug konden naar 2026. FLITS.


1907   Clarissen en hanen

Dominic en Trudo waren op het pleintje van de Sint-Gangulfuskerk geland. Ze waren er terechtgekomen op Paaszaterdag. De vastenperiode voor Pasen zou op Paaszondag aan zijn einde komen. De mensen mochten in die vastenperiode geen eieren eten. Ze hadden er al zoveel opgespaard, te veel om zelf te kunnen opeten. Dan maar naar de Clarissen dragen. Dat was dubbel handig, tegelijk konden de mensen vragen om te bidden voor goed weer bij Pasen. Tenslotte was bidden specialistenwerk. Dominic en Trudo waren verwonderd over de volkstoeloop die daar plaatsvond. De zusters Clarissen wisten zelf met al die eieren geen blijf. Dominic en Trudo waren blij toen de Clarissen hen een paar eieren schonken.

Het gonsde daar van een gerucht: er werd verteld dat Sint-Truiden gekozen was om er een tentoonstelling van Limburg te houden. Het was een navolging van de wereldtentoonstellingen in Londen en in Parijs. De provincie Limburg wilde er de verwezenlijkingen en de nieuwigheden in de landbouw, de industrie, de handel en de cultuur tonen aan het ruime publiek. Sint-Truiden zou zichzelf tonen. Er zou een afvaardiging zijn van de Sint-Truidense kantschool, er zou een paviljoen zijn van de Sint-Truidense handel in koloniale waren Balthus, verschillende handel- en horeca-zaken zouden er stand houden. Het was zes jaar geleden dat de steenkoollagen in Limburg waren ontdekt. Bij deze gelegenheid werd er vooruit gekeken. Daarom was er een groot paviljoen van de mijnen voorzien. Er werd veel volk verwacht. Er zouden concerten gehouden worden en er zou vuurwerk zijn. Er werd al gespeculeerd dat koning Leopold II op bezoek zou komen.

De opbouwwerken waren volop bezig. Dominic en Trudo kenden dat deel van de stad nog van vorige keer. Toen was het een buurt met lemen huisjes en strooien daken. De buurt noemde ‘de hel’. Nu was de buurt opgeruimd en was er het stadspark ontwikkeld, met een vijver en een muziekkapel boven op een heuveltop.

Van daar togen ze naar de markt. De straten hadden nieuwe stenen gekregen: kasseien. Er reden koetsen door de straten, met een koetsier op de bok. De heren van stand hadden een hoge hoed op. De vrouwen hadden ook hoeden en een lange rok.

 

Het was marktdag. Op de markt waren meer gewone mensen, met een klak op het hoofd: ’jan met de pet’. Op de markt was van alles te koop. Dominic’s en Trudo’s aandacht werd getrokken door verkopers van biggetjes, en van kippen en ander pluimvee. Bij deze boerenmensen uit de nabije dorpen hoorden ze dat fruitteelt de teelt van de toekomst was. Er was een rage over nieuwe rassen: de Bigarreau kers en het Sterappeltje oftewel Binnenrooike. De fruitteelt zou voor de streek even belangrijk worden als de teelt van suikerbieten, zo werd gezegd.

De boerenmensen verklapten stilletjes ook dat de dag nadien, op Paasdag, een hanengevecht zou gehouden worden in een herberg in Zepperen. Er werd hen op het hart gedrukt dat ze het moesten stil houden, want het was verboden. Dus wilden de beide minderbroeders dat wel eens meemaken. Ze namen in de namiddag de kasseiweg naar Zepperen. Het viel hen op dat hier op den buiten nog veel lemen huizen werden gebouwd terwijl ze in de stad vooral huizen van steen hadden gezien. In Zepperen vonden ze de herberg De Drie Koningen op het dorsplein. Ze gingen de herberg binnen en vroegen of ze daar konden overnachten. De Sint-Genoveva kerk en de herberg De elf uren mis waren niet open. In de Sint-Genoveva kerk waren er schilderwerken aan de gang. Een paar lokale ververs hadden deze opdracht bemachtigd; ze heetten Kim Vanmachelen en Roland Berck. De waard van de herberg wilde de twee berooide broeders wel toestaan om op de grond te slapen nadat de klanten weg waren. Dominic en Trudo vonden het goed. De klanten bleven op paaszaterdag lang plakken. Dominic en Trudo bleven de hele avond luisteren naar de verhalen. 

De mensen waren vol van de wonderdoktoor van Zepperen die ze het ‘koemeesterke’ noemden. De boerenmensen van Zepperen hadden over het algemeen geen hoge pet op van doktoors die vooral dachten aan operaties en dure medicijnen. Ze vertrouwden eerder hun volksremedies en hun ‘wonderdoktoors’. Een jonge arts was uit de stad Sint-Truiden gekomen om zich in Zepperen te vestigen. Hij had het vertrouwen van de landelijke bevolking weten te winnen door zich aan te passen en net als andere wonderdoktoors te doen. Dominic en Trudo wisten dat een wonderdoktoor niets anders was dan een charlatan.                                                                                   De volgende morgen moest de gelagzaal ontruimd en in gereedheid gebracht worden voor het hanengevecht.

Dominic en Trudo hadden uitgekeken naar het hanengevecht. Het begon achter de herberg waar de vechthanen moesten oefenen of proberen zoals men dat heette. De vechthanen zagen eruit als slangen, met kale kop en afgeschoren kam en lappen. Er werd over de hanen gespeculeerd of zij echt vechtersbloed hadden. Na het proberen werden de sporen, vervaardigd uit afgezaagde uiteinden van koehorens, aangedaan en kon de echte kamp beginnen in het strijdperk achter de herberg. Weddenschappen werden afgesloten. Bij het vechten, de eigenlijke ‘combat’, werd er hevig gesupporterd. Dominic en Trudo hadden al gauw door dat men vechtlust bedoelde als men sprak over ‘vuur’. De mensen stoven uiteen toen ze hoorden dat de ‘sjampetter’ eraan kwam.

Juist op dat ogenblik voelden ze weer een snok. Nog een snok. FLITS. Dominic en Trudo hoopten dat het deze keer de goede keer zou zijn.


1942  in oorlogstijd

Dominic en Trudo belandden onzacht op de straatstenen in een dorp. Mensen liepen met hun gezicht naar de grond. De sfeer was grimmig. Ze durfden toch iemand aanspreken. Die waarschuwde hen om op te passen voor de Duitsers. Ze begrepen dat ze terechtgekomen waren in de oorlogstijd. Ze zagen een aanwijzer van Brustem staan en iets verderop stond een soldaat aan een checkpoint. Ze aarzelden even, maar beseften dat het verdacht overkwam als ze zouden terugdraaien voor een checkpoint. Dan maar doorgaan. De soldaat groette hen en vroeg naar hun papieren: “Eure Papiere, bitte”. Ze wisten niet goed welke papieren ze moesten tevoorschijn halen. ”Wir sind Minderbroeders, euh Minder brüder, euh Franciskaner Brüder” kon Trudo uitbrengen. Dominic haalde een paar bladzijden te voorschijn met psalmen die hij nog bij zich had. De soldaat bestudeerde ze aandachtig. Hij begon luidop te zingen van Hosanna in der Höhe. “Entschuldigen Sie mich bitte, zei hij, Ich sang immer in der Schwebebahn in meiner Heimatstadt Wuppertal, so von Hosanna in der Höhe. Ach, die Menschen sind doch alle Brüder, nicht?” voegde hij er vriendelijk aan toe. Dominic en Trudo beaamden. Ze maakten zich gauw uit de voeten toen ze hun papieren teruggekregen hadden. “Oef, zuchtte Trudo, we zijn dus in Brustem tijdens de oorlog”. ”Onwaarschijnlijk” siste Dominic. Trudo bekeek hem verveeld.

Plots werden ze binnengetrokken in een huis. ”Don’t be afraid, we want to help you” werd hen  toegefluisterd. Ze verstonden het niet meer: eerst Duits, dan Engels. Ze legden uit dat ze échte Minderbroeders waren. De binnentrekkers geloofden hen eerst niet. Ze vonden de vermomming als Minderbroeders goed gevonden. Dominic en Trudo zagen zich genoodzaakt om met details uit te leggen dat ze instonden voor het onderhoud van de Minderbroederstuin en voor het luiden van de klokken en dat ze ’s nacht moesten opstaan voor het gebed. Uiteindelijk werden ze toch geloofd. Een man en een jonge vrouw gaapten hen aan. “Wij zijn in het verzet, zegden ze, we helpen Engelse vliegeniers en hun bemanning die in de omgeving neergeschoten worden”. En ze gingen verder: “Ge zult wel al gehoord hebben van de ‘spookvlieger’ of de ‘phantom of the night’ zoals de Engelsen hem noemen. De Duitsers hebben het vliegveld hier in Brustem ingepalmd en er een eskader gevestigd. Een Duitse vliegenier schijnt zeer effectief te zijn om de Engelsen die gaan bombarderen in Duitsland neer te halen. Volgens radio B.B.C. uit Londen is er vorige nacht weer een vliegtuig neergehaald boven Sint-Truiden.” Dominic en Trudo hadden aandachtig geluisterd. Ze kenden wel een verhaal van de spookvlieger, maar in dat verhaal was de spookvlieger iemand van hier die de Duitsers het vuur aan de schenen legde.

De man en de vrouw stelden zich voor. Het waren vader en dochter. Ze heetten Jef en Alphonsine. Ze nodigden Dominic en Trudo uit om de nacht in hun huis door te brengen en de volgende dag mee op zoek te gaan naar de bemanning. “Radio Londen beweert dat zij zich hebben kunnen redden met hun parachutes, en dat ze nog niet opgepakt zijn door de Duitsers”. Dominic en Trudo gingen akkoord met het voorstel. In het huis leefden ook nog de moeder van Jef en het zoontje van Alphonsine. Alphonsine’s man was bij het begin van de oorlog gevlucht naar Frankrijk. Sindsdien had ze niet meer van hem gehoord. De oma maalde cichorei in de koffiemolen. Ze verontschuldigde zich dat ze geen koffie kon zetten, want die was gerantsoeneerd. Dominic en Trudo genoten van hun kom ersatz-koffie. Ze lieten de oma weten dat ‘een goei djat duigd duu, och as et ginne echte kaffie is’.

Dominic en Trudo gingen slapen terwijl Jef en Alphonsine nog even opbleven om naar de radio te luisteren. De volgende dag vertelden Jef en Alphonsine voorzichtig dat ze hadden vernomen dat de neergeschoten bemanning zich in de buurt van Heers zou bevinden. Dan moeten we aan de steenweg naar Luik de tram nemen, besloten ze. Jef ging niet mee; dat zou te opzichtig lijken. Dus gingen Dominic en Trudo mee met Alphonsine. Ze stapten in Heers uit de tram. Ze zagen een boerenkar die tegengehouden werd door een patrouille. “Ze controleren op smokkel, wist Alphonsine, in de stad is er te weinig voedsel en de rantsoenbonnen volstaan niet. Daarom komen veel mensen naar familie op het platteland voedsel halen zoals boter en hesp. De zwarte markt tiert ook welig”. Ze zagen op een veld vrouwen aardappelen rapen.

Terwijl Dominic en Trudo bleven kijken naar het patatten rapen ging Alphonsine naar het bos toe achter het veld. Ze maakte rare geluidjes. Het was alsof ze het geluid van een soort vogel nadeed. Opeens was ze niet meer te zien. Dominic vroeg “Waar is ze nu?” Trudo verbaasd: “Verschwunden”. Dominic en Trudo gingen dan maar de vrouwen helpen patatten rapen. Er kwam een signaal dat ‘pauze’ betekende. Een oudere vrouw vroeg aan een jonge vrouw om haar recht te helpen. Krak! De oudere vrouw zei “Ich val bekan van mene sus”. Een andere vrouw vroeg hetzelfde aan de jonge vrouw, Krak! Een derde vrouw vroeg weer hetzelfde. Krak! “Strien heb ich ginne rug nemee” kloeg de eerste vrouw. De tweede vrouw zei “Amai mene frak, de pruimentijd was beter; tuun mos dje och rèkke in plak van och te bukke”. Algemene instemming. Het duurde lang eer Alphonsine weer verscheen. Ze kwam tegen de minderbroeders zeggen dat ze maar beter terug naar huis konden gaan. Ze moesten tegen Jef zeggen dat ze vier kuikens gevonden had die uit het nest gevallen waren. Zijzelf zou laat thuiskomen, met de allerlaatste tram. Dominic en Trudo stelden geen vragen en namen de tram terug naar Brustem. Ze namen tien kilo patatten mee van het veld.

Die avond waren ze al naar bed eer Alphonsine bij haar thuis arriveerde. De volgende dag waren Jef en Alphonsine druk in de weer met allerhande mysterieuze regelingen. Dominic en Trudo oordeelden dat het beter was als zij niet gemoeid raakten bij hun besognes. Ze namen afscheid van Jef en van Alphonsine en ze gingen naar de stad. Ze hadden geld gekregen voor de patatten: 3 frank min kost en inwoon voor twee dagen was twee frank. Het was genoeg om zich gedurende een paar dagen te kunnen redden.       


Een varken slachten

Het regende de volgende dag. Dus namen Dominic en Trudo de tram naar de stad. Ze kwamen aan in het station van Sint-Truiden. Op het stationsplein zagen ze de zingende wacht van Wuppertal terug. Dominic stootte Trudo aan. “Daar is Alphonsine op haar fiets”. Alphonsine werd staande gehouden door de wacht. Ze keek bedrukt. Dominic en Trudo schoten haar te hulp. Dominic kreeg een ingeving. Hij begon te zingen van Hosanna in der Höhe. De wacht deed of hij hen niet herkende. Hij had opdracht om te controleren. Terwijl hij dat duidelijk maakte aan Dominic, kreeg Trudo van Alphonsine een papiertje toegestopt. Hij stak het gauw weg in de mouw van zijn pij. De wacht riep er een andere soldaat bij en gaf opdracht om Alphonsine naar het hoofdkwartier op de Grote Markt te brengen. De twee minderbroeders maakten zich gauw uit de voeten. Ze waren nog van de emotie aan het bekomen toen Trudo het papiertje uit zijn mouw haalde. Hij las het voor. Het was een adres in Gorsem. Ze besloten om naar dat adres te gaan. Ze huurden een tandem in het fietspunt aan het station. Toen ze buiten kwamen uit het verhuurdepot kloeg Dominic over de hoge prijs: “Vijf cent, Bro; daarmee hadden we vijf fluitjes kunnen kopen”. “Och Bro, je kent de waarde van het geld in 1942 niet, zei Trudo, bovendien moet je het ook zo zien: 2,5 cent de man, dat is niet te veel voor een dag huur van een fiets”.

Ze reden met hun tandem naar Gorsem. Opeens voelde Trudo iets trillen onder zijn pij. Hij verstijfde. Het was zijn GSM die op zijn trilfunctie stond. Trudo was zijn GSM helemaal vergeten. Hij had hem meegenomen voor in noodgevallen. Hij had hem voor zijn vertrek nog op trilfunctie gezet want hij wilde niet meemaken dat men hem in de toekomst zou kunnen ontmaskeren. Hij had zo een GSM-etje dat je kon openklappen. Zijn eed van armoede liet een heuse smartphone niet toe. Hij deed Dominic stoppen. Hij vertelde hem wat er gebeurde. Hij aarzelde om op te nemen. Het trillen hield op. Dominic verweet hem dat ze al de hele tijd hadden kunnen bellen naar het thuisfront. Trudo moest toegeven dat hij zijn GSM rats vergeten was. Hij had niet zo een goede pij-hygiëne. Dominic waste zijn pij om de drie dagen uit. Trudo was eerder nonchalant: hij waste zijn pij maar elke maand en zijn ondergoed twee keer per week. Terwijl ze hierover aan het kibbelen waren, trilde de GSM opnieuw. Opnemen? Trudo kon zien dat het een onbekend nummer was. Belde die uit hun tijd of uit een andere tijd? Dominic deed teken dat hij toch maar moest opnemen. Trudo nam op. Een vrouwenstem: “Aallou, zaade gaa et, sjoe?” Trudo wist niet wat te doen. Een ongemakkelijke stilte. “Ma antweud dan, gast! Zaade nog op de paarking?” Toen zei Trudo “Verkeerd verbonden” en hij legde af. Hij zag lijkbleek. Dominic en Trudo reden zwijgend verder.

Aangekomen in Gorsem, wendden ze zich naar het adres van op het papiertje. Het was een hoeve. Ze klopten aan. Er kwam niemand opendoen. Dus gingen ze langs achter. Toen ze op de binnenkoer stonden, kwam de stalknecht schuchter kijken. Dominic en Trudo legden uit dat ene Alphonsine hen dat papiertje had toegestopt toen ze aangehouden werd aan het stationsplein. De stalknecht nam hen op van kop tot tenen. Hij verdween in het huis. Even later kwam de boerin buiten. Ze nam de twee in vertrouwen. Ze zei dat Alphonsine gewoon was om tegengehouden te worden en dat de bezetters waarschijnlijk smokkel aan het opspeuren waren. Alphonsine had altijd een portie spek bij zich. Dat deed ze om het spek te kunnen afgeven aan de autoriteiten en verder met rust gelaten te worden. Heel slim van haar, zei de boerin en ze knipoogde naar de minderbroeders. Dominic en Trudo deden of ze het gesnapt hadden. De boerin nodigde hen uit voor het evenement dat later op de dag zou plaatsvinden op de boerderij: een clandestiene slachting. Dominic en Trudo lummelden wat rond in Gorsem tot het uur van de slachting gekomen was. Het kibbelen over de GSM hervatte even. Ze besloten om de keuze van bellen naar het thuisfront of niet bellen uit te stellen.

Terug op het boerenerf merkte Dominic op dat eer een hokje aan een hoek van het erf stond. Het was van hout en had een deur van planken met een hartje erin. Hij vond het best charmant. Hij vroeg aan een van de vrouwen die zich voor de slachting verzameld hadden waarvoor het diende. De vrouw keek hem verwonderd aan “Oh, ken dje da nè? da’s et schijthuis”. Natuurlijk, Dominic kon zich wel voor het hoofd slaan voor zoveel onwetendheid. Hij voelde de aandrang om gebruik te maken van het huisje. Hij was ook nieuwsgierig. Hij deed het deurtje open en zag een houten verhoog, blijkbaar om op te gaan zitten. Er was een rond gat in de plank van het verhoog. Een krant lag in een hoek; er was een stuk afgescheurd van een blad. Hij keek in het gat en zag daar het stuk krant liggen. Het dreef op een bruine brij. Hij ging zitten. Hij moest denken aan de campagne ‘kom van dat gat af’ die onlangs op T.V. was gelanceerd om mensen aan te zetten tot meer bewegen. Hij dacht: hier geldt dit niet, hier moet je tot rust komen. Hier past de slogan ‘zet je gat op het gat’. Hij nam de tijd en begon de krant te lezen. Het bleek een krant van het jaar 1940, twee jaar geleden dus. Zou de krant niet verschenen zijn tijdens de oorlog, vroeg Dominic zich af. Dan hebben ze wel een hele voorraad van kranten aangelegd. Een artikel over de koninklijke Sint-Truidense Voetbal Vereniging die 16 jaar oud geworden was trok zijn aandacht. De krant was zeer dun: nauwelijks vier bladzijden. Ze heette ‘Den Tram’. Toen werd zijn blik geleid naar het hartje in de deur waardoor hij de lucht kon zien. Toen hij het huisje verliet was hij een hoop armer maar een ervaring rijker.

 

 

In de oorlog werd de verplichte melding van een huisslacht massaal ontdoken. Dus waren Dominic en Trudo toekijkers bij een geheime slachting van een varken. Alles werd in gereedheid gebracht voor de slachter door de boerin en een paar andere vrouwen. Het varken werd uit het hok gehaald. Een varken is een slim dier. Het had in de gaten wat er aan de hand was, dacht Trudo. Het varken ging behoorlijk te keer. Het gekrijs was over het hele erf te horen. Een varken kan niet spreken en heeft ook geen tranen. Een hond kan treurig kijken, een varken heeft dat talent niet.     

 

 

 

                                                            

Het varken werd geslacht en het vel werd afgebrand met bosjes stro. Dan ging het varken op de ladder die klaarstond tegen de stalmuur. De ladder werd naast het varken gelegd. Met vereende krachten werd het varken ruggelings op de ladder gedraaid. De hammen naar boven en de kop naar beneden. De ladder met het varken werd rechtop tegen de muur gezet: een ‘geleerd varken’. Dan werd het varken opengesneden om de organen en ingewanden te kunnen verwijderen die uit de buik puilden. Een vochtige damp en een wat weeïge geur stegen op. Dan sloegen de vrouwen aan het werk om de darmen proper te maken en worsten te maken.

Een darm is een raar ding: Eerst zit hij binnenin het varken. En later zit 't varken er binnenin.

De buren kwamen tegen de avond opdagen om de dikte van het spek te prijzen en om tegelijk een borrel te drinken. “Da verke is goed vetgemest, zei een buurvrouw, Wij duu dje da toch, Marie?” Marie, de boerin, glimlachte geheimzinnig en zei dan “Speciaal recept met eikels van aan het bos van Duras”. Dominic en Trudo vernamen van de buren dat de week voordien ene Georges Koekelberg was opgepakt door de Duitsers. De buren vreesden voor zijn leven. Later op de avond arriveerde Alphonsine. Dominic en Trudo waren opgelucht haar te zien. Toen de buren vertrokken waren verschenen er drie gezichten van op de hooizolder. Het waren twee Engelsen van het neergestorte vliegtuig en één ondergedoken jongeman van het verzet.                                                             

Alphonsine stelde de twee minderbroeders voor om twee kilo spek naar Sint-Pieter te brengen. Toen Dominic en Trudo naar de stad terugfietsten met de twee kilo spek verborgen in hun pij voelden ze zich als de spekpater of toch als spekbroeders. Ze leverden de tandem in aan het station en gingen van daar te voet naar de wijk Sint-Pieter. Ze kwamen net op tijd aan voor de avondklok ging.              Sint-Pieter stond bekend als een echte volkswijk. Dominic en Trudo gingen het spek afgeven in een kruidenierswinkel. Ze keken rond in de winkel. Het aanbod was maar karig. Vele producten, ook groenten en fruit, waren enkel te koop via voedselbonnen. Haring was een uitzondering. Die was niet gerantsoeneerd want er was dat jaar haring in overvloed. Er kwam een man in de winkel binnen en hij vroeg 300 gram haring. Dit werd afgewogen op een weegbalans. Er kwamen gewichtjes zo klein als van 10 en 50 gram aan te pas. “Mag het iets meer zijn?” vroeg de kruidenier. Ja, dat mocht. De gerookte haring (bokking) werd verpakt in krantenpapier.

Dominic en Trudo kwamen de winkel uit. Opeens voelden ze weer een snok. FLITS. Een toevallige voorbijganger wist niet goed of hij goed gezien had of zich iets inbeeldde: een miraculeuze verdwijning, geen miraculeuze verschijning?


1978    Far West

Dominic en Trudo belandden in de jaren zeventig van vorige eeuw. Het was ergens in de namiddag want de scholen waren uit. Ze dachten dat ze behalve een tijdreis ook een reis naar verre oorden hadden gemaakt. Ze bevonden zich in de Luikerstraat. Die was omgebouwd tot the Far West. Dominic en Trudo konden de chaos niet aanzien: dubbel en zelfs driedubbel parkeren van auto’s in de Luikerstraat. Er was zelfs een saloon waar paarden voor te wachten stonden. Dominic liet zich weer ontvallen: “Onwaarschijnlijk”. Ze besloten om de saloon binnen te gaan.

Trudo moest dringend plassen. Hij ging naar achter waar toiletten waren voor mannen en voor vrouwen. Aan de mannenkant zag hij eerst alleen pisbakken. Hij aarzelde want hij had geen gulp in zijn pij. Er kwam iemand binnen. Die bekeek hem van kop tot teen en andersom “Doo achter is och e kabinet”. Trudo kon zich wel voor het hoofd slaan dat hij de W.C. deur niet gezien had. Gauw ging hij er binnen. Toen hij terug buiten kwam en zijn handen waste zag hij een scheurkalender. Die gaf aan: 19 september 1978. Hij herkende het systeem: met een flauw mopje op de achterkant. Toen hij terug aan de toog kwam fluisterde hij Dominic in het oor “Bro, we zijn in het jaar 1978”.

In het saloon stal de burgemeester, Jef Cleeren, de show. Hij was aan het uitleggen dat dat dubbel parkeren zeer heilzaam was voor de middenstand in de stad. Zijn stelling had veel voorstanders, maar ook tegenstanders. Dominic en Trudo dachten er het hunne van. Ze wisten dat vele jaren later de Luikerstraat was heringericht met brede stoepen voor de voetgangers. Ze waren nog kinderen toen dit gebeurde. Ze hadden nog in de loopgraven gespeeld die er lang waren gebleven vooraleer ze dichtgegooid werden.

Jef Cleeren was in een gulle bui. Hij trakteerde: “Tournée générale! En gift dij twie jonges och iet, ich kin se wal nè, ma se zien ter fatsoenlek aat.” Dominic en Trudo zagen er wel niet uit als de andere aanwezigen maar minderbroeders waren door de eeuwen tot in die tijd met hun bruine pijen een normaal straatbeeld in Sint-Truiden. Dominic en Trudo hieven samen met andere aanwezigen het glas. Ze zegden “Op de buirgemiester!” Prompt volgde “Zeg mar Djef”.

Nadat Jef Cleeren het pand had verlaten, raakten ze aan de praat met drie leeftijdsgenoten. Ze vernamen dat de mensen in Europa een beetje bang waren voor een derde wereldoorlog en dat ze vreesden dat er een atoombom zou vallen. Het was volop in de koude oorlog. Eén van hun gespreksgenoten meende dat de hele wereld helemaal kapitalistisch zou worden; een ander meende dat hij communistisch zou worden; de derde meende dat er een weg tussen de twee mogelijk was via een vrije markt systeem maar met correcties door de overheid. En Europa? Speelt Europa niet mee? vroeg Trudo. “Europa, bedoel je dit oude continent? Ja, misschien wel. De Benelux is fel voor Europa. Het Verenigd Koninkrijk is vorig jaar toegetreden. Tot nu toe is het vooral een verhaal van Duitsland en Frankrijk”.

Het gesprek evolueerde naar de rol van de katholieke kerk in de samenleving. Dominic en Trudo kregen al gauw door dat de gespreksgenoten geen hoge pet op hadden van de kerk. Niet voor niets waren ze vaste klant in saloon ’The Far West’. Dominic en Trudo waren op hun hoede want het ging tenslotte over het instituut waartoe zij behoorden. Ze aanhoorden de kritiek dat de kerk zich in het verleden meestal had gedragen alsof zij de gedachten van de mensen mocht en kon boetseren. Eén van de gespreksgenoten stak de draak met de conservatieve houding van de kerk vroeger en verwoordde het zo: “De baron zei tegen de pastoor: ‘Houdt gij ze dom, ik zal ze arm houden’”. Dominic en Trudo voelden zich niet echt aangesproken, want zij hadden zelf als minderbroeder de eed van armoede afgelegd.                                                                                                                                                                                   

Daarna ging het over de twee stoelen: de preekstoel en de biechtstoel. “Vanaf de spreekstoel werden de mensen vroeger van alles ingelepeld. Ge moogt dit niet en ge moogt dat niet. En de biechtstoel werd gebruikt om van alles te weten te komen over de mensen”. Een van de gespreksgenoten herinnerde zich nog over de biechtstoel dat ze in de school soms te biecht moesten gaan. “Dan zat je je beurt af te wachten met uw knieën op een ligbank. Dan je maar voorbereiden welke pekelzonden je deze keer zou uitvinden om op te biechten. Dan was jij aan de beurt om in dat donker hokje neer te knielen. Dan schoof het luik open en herkende je in het duister achter het paneel met gaatjes de leraar-priester die je voor latijn had. Na de zogenaamde bekenning van drie pekelzonden moest je twee wees-gegroeten en één onze-vader bidden als penitentie. Belachelijk toch?” “Dat was misschien om de kinderen te laten oefenen hoe je dit later moest doen” probeerde Dominic. “Dat was misschien vroeger zo. Maar ik ben nooit nog te biecht gegaan na mijn schooltijd”. De anderen bevestigden dat dit ook bij hen zo was. Een andere gespreksgenoot die heel de tijd niets had gezegd, opperde dat de biecht vroeger nuttig was geweest wanneer iemand iets zwaars op het gemoed had, maar dat ze daar nu professionele psychologen en andere peuten voor hadden. Bevestigend geknik van de anderen. Hij dacht ook dat binnen pakweg vijftig jaar de kerken zonder functie zouden vallen en dat ze zouden komen leeg te staan. De anderen vonden dat een gewaagde uitspraak. Dominic en Trudo wisten dat het waar was, maar ze zegden niets want ze wilden hun ware oorsprong niet verraden.

Dominic en Trudo bleven hangen tot ver in de avond want ze vonden het wel aangenaam om van gedachten te wisselen met hun leeftijdsgenoten van een andere tijd. Wanneer ze hun voornamen noemden, oogsten ze twee keer goedkeuring. “Sint-Truiden is genoemd naar Sint-Trudo”. “Ja , ik weet het, dat was mijn bet-over-over-over-grootvader” grapte Trudo. “En Brother Dominic, oh brother, dat was enkele jaren geleden een heel komische reeks op T.V.”.

Dominic en Trudo hadden zelf geen eigentijds geld bij. Maar hun leeftijdsgenoten konden de oude munten die Dominic en Trudo nog hadden van in 1942 naar waarde schatten en toonden zich graag bereid om hun rondje te betalen in ruil voor een paar van hun munten.

Als ze rond keken in de saloon viel de haarsnit of beter het ontbreken daaraan bij de jongeren hen op: jongemannen met lang haar. Hun gespreksgenoten hadden ook lang haar en droegen jeans en hadden een parka-jas. Ze rookten sigaretten die ze zelf rolden met tabak uit een blauw plastic zakje en vloeitjes sigarettenpapier. ‘Samson’ stond er op het zakje, met een leeuw met lange manen als logo. Waren de naam Samson en de manen verwijzingen naar het lange haar van de jongens?

Dominic merkte op dat er slechts een paar meisjes in het saloon waren. Ze zagen er bijna hetzelfde uit als de jongens, met ook lang haar en jeans en parka. Hun gesprekspartners verklaarden dat het er niet altijd zo zacht aan toe ging als vanavond. Soms waren er heuse knokpartijen. De vrouwen hielden daar zo niet van, die hadden hun eigen plaatsen.                        Een oudere man in het gezelschap naast hen liet zich juist ontvallen dat hij liever de mode van enkele jaren geleden had, met mini-rokjes en hot pants voor de meisjes en met hoog opgestoken haar voor de vrouwen. Hij had geen goed woord over voor dat ‘langharig werkschuw tuig’ van tegenwoordig. Hij liet zich meeslepen in zijn betoog en schold een leeftijdsgenoot van Dominic en Trudo uit voor ‘Vaalen Ippie’. Die beschouwde het heimelijk als een compliment. Maar hij beet toch terug: “Mijn flower heeft tenminste power”.

Trudo vroeg of dat echte revolvers waren die sommige mannen in hun holsters droegen. Neen, was het antwoord, dat zijn plastieken pistolen, ze dienen louter om stoer te doen. Maar sommige pistolen kunnen een straal water tot wel tien meter ver spuiten. “Onwaarschijnlijk” zei Dominic.

Later op de avond raakten stamgasten beschonken. Een dronken tooghanger kon niet meer van zijn barkruk. Dominic hielp hem van de barkruk af en naar de deur. De rook had een ware dampkring gemaakt in de saloon. De leeftijdsgenoten maakten aanstalten om te gaan en Dominic en Trudo achtten ook hun tijd gekomen. Toen ze buiten kwamen uit de saloon zag Trudo dat er rook uit Dominic zijn oren kwam. Hij kreeg niet de tijd om te zeggen dat hun pijen moesten uitwaaien, want plots voelden ze opnieuw een snok. FLITS.


Terug in 2026

Dominic en Trudo belanden uiteindelijk terug in 2026. Er staat veel volk rond hen en ze krijgen applaus wanneer ze uit de teletijdmachine komen. Ze hebben niets aan dat applaus. Ze gaan onmiddellijk hun beklag maken bij professor Frank Dewinne. Deze weet nog niet wat er precies gebeurd was. Misschien is er geknoeid met de knoppen? Misschien zijn hackers aan het werk geweest? Hij is al blij dat ze terug zijn. Hij heeft toch al één les geleerd: een reset knop zou nuttig zijn. Het plan om naar de toekomst te reizen is uitgesteld tot een reset knop operationeel is en grondig getest is.           

Toen kwam er een varkentje met een lange snuit, en het vertelseltje was uit

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 


 2.  Op pelgrimstocht

Tot Reims

 

Dominic en Trudo zijn bekomen van hun avontuur. Het leven gaat terug gewoon zijn gangetje. Ze doden hun tijd onder andere met padel spelen.

Aan het begin van de zomer neemt de heimwee naar de avonturen in de vervlogen tijden toe. Dominic en Trudo verlangen naar nieuw avontuur. Ze overwegen hun opties. Voorlopig kunnen ze niet naar een andere tijd reizen. Frank Deminne is nog altijd bezig met het testen van een reset functie op de teletijdmachine. Zouden ze dan naar een andere plaats kunnen reizen? Goed idee, vinden ze zelf. De eerste bestemming die bij hen opkomt is natuurlijk Santiago de Compostela. Een ouderwetse pelgrimstocht te voet, dat spreekt hen wel aan. Ze beginnen hun voorbereidselen te plannen, en tegen einde juni vertrekken ze. Ze hebben bijna niets bij; geen rugzak, enkel ieder een schoudertas en een drinkbeker.

Ze vertrekken langs Bevingen en Kerkom. Ze passeren langs de kapel van de bruine lieve vrouw. Een vrouw in bruin kleed, net zoals de twee broeders, spreekt hen aan: ”Goed weer vandaag, niet?” “Ja, goed weer, we hebben geluk want we zijn juist vertrokken op pelgrimstocht “. “laat me raden, naar Compostela?” “Inderdaad”. “Dan is het goed dat je hier langs komt, zegt de vrouw, steek hier nog een kaarsje aan, dat brengt geluk”. Ze steken een kaars aan. Wanneer ze zich omdraaien, is de vrouw verdwenen. Dominic en Trudo zijn verbluft. “Een verschijning van de bruine lieve vrouw, Bro?” “Dat zou kunnen, Bro, want het leek een hele lieve vrouw”.

Ze voelen de neiging om even halt te houden. Ze stoppen aan de brouwerij van Kerkom. Een drank die rijk is aan geest kan hen uit hun vertwijfeling helpen. Ze bestellen een ‘Bink’. Trudo denkt dat ze zich daarnet hebben laten leiden door een fata morgana. Dominic ziet het gebeuren als een goed voorteken voor de tocht.  Na een eerste biertje zijn ze nog niet over het gebeuren heen en ze blijven plakken bij een ‘Bloesembink’. En nog één. Tegen de vierde bink zijn ze zeker dat de bruine lieve vrouw aan hen verschenen is. “Als we zo voortdoen, gaan we niet in Compostela geraken” zegt Dominic. “Juist, maar heb je je dubbelganger meegebracht? vraagt Trudo, ik zie je twee keren”. Ze zijn pas opgestapt van de brouwerij, en ze moeten gaan liggen in de berm van de weg, als lamme goedzakken. Er komt een dame op een fiets langs. Zij is bezorgd wanneer ze die twee in de berm ziet liggen. “Gaat het?” vraagt ze. Dominic en Trudo haasten zich om te verzekeren dat het gaat, dat ze gewoon liggen te rusten gelijk binken met een paar binken op. Wanneer ze over hun roes heen zijn, beseffen ze dat ze nog een hele weg af te leggen hebben naar hun eerste halteplaats.

Het is diep bijna donker als ze aankomen in Orp-Jauche. Ze zien in het halfdonker dat de oudere gebouwen en huizen in de omgeving opgetrokken zijn in mergel. Ze hebben de mergelgrotten van Folx les Caves gekozen als hun eerste slaapplaats. Daar werden vroeger champignons geteeld. Trudo herinnert zich uit zijn jeugd dat een scène uit de T.V.-serie ‘Johan en de Alverman’ hier is opgenomen. Ze vallen als blokken in slaap.

De volgende ochtend wordt Trudo gewekt door een kriebeling in zijn neus. Hij probeert de kriebel weg te wrijven met zijn hand. Het blijft jeuken. Op de duur zet hij zich rechtop en kijkt in het rond. Het is echter zeer donker in de grotten. Hij meent een gegiechel te horen. Van waar komt het? Hij vindt zijn zaklamp. Hij staat op en doet enkele stappen. De grotten zijn een echt doolhof. Hij hoort geritsel van achter een wand van de grotten. Hij loopt in de richting van het geluid. “Wie ben je?” roept hij. Geen antwoord. “Waar ben je?”. Hij loopt het dichtsbije blokje om. Weer geritsel. “Laat je zien!”. Dan komt een mannetje te voorschijn. Het mannetje heeft een hoedje op en ziet er verwaarloosd uit. “Ik ben een alverman, zegt hij, mijn naam is Fafifournik”. “Aangenaam, ik ben Trudo”. Dominic is ook wakker geworden. In het gesprek bij het ontbijt vernemen ze dat deze man buiten de maatschappij leeft en zich hier al jaren schuil houdt. Wanneer Dominic en Trudo hem vertellen dat ze op pelgrimstocht  zijn, kan hij hun aanwezigheid in zijn schuiloord wel appreciëren. Daarmee weet hij dat ze niet zullen blijven en hem niet zullen storen. Na het ontbijt nemen ze afscheid van het alvermannetje en vatten hun tweede etappe aan. Ze beseffen dat de eerste dag niet best was en dat ze zich moeten herpakken.

De tweede dag brengt hen naar Namen. Ze komen via de RAVEL (réseau autonome des voies lentes) in het hart van de stad terecht. Namen is een leuke stad. Ze hebben hun slaapplaats boven op de citadel. “We kunnen met de téléphérique gaan” oppert Trudo. Dominique zegt dat hij niet op de téléphérique durft want dat hij hoogtevrees heeft. Dus gaat Trudo met de téléphérique en Dominic gaat te voet naar boven. Trudo heeft een prachtig uitzicht op de stad en op de samenvloeiing van Samber en Maas en op de brug over de Maas waar het Ros Beiaard (Cheval Bayard) de wacht houdt. Trudo vindt het spijtig dat  Dominique terug deinsde om de téléphérique te nemen. Hij meent zich nochtans te herinneren dat Dominique sprak dat hij regelmatig ging parachute springen in Schaffen voordat hij intrad als minderbroeder.

De tweede etappe gaat naar Namen. Namen is een leuke stad.

Van Namen langs de Maas naar Dinant en verder over Givet is over de Via Monastica. Ze vinden het langs de Maas zo mooi dat ze besluiten de rivier te volgen tot in de stad Charleville-Mézières. De Maas is in de Franse Ardennes een kalme rivier in een natuurlijk kader.

 

Op weg langs de Maas naar de stad Charleville-Mézières zien ze aan een brug over de spoorweg iets wat ze nog nooit eerder zagen: een éénwieler. Ze zijn danig onder de indruk van dit ding. Ze gaan een gesprek aan met de berijdster ervan. Ze kunnen niet goed begrijpen dat zij zich kan recht houden op zulk een fiets. De berijdster is een Engelse, ze heet Jane. Ze is pas vier dagen geleden begonnen aan een wereldreis die haar twee jaar zal kosten. Ze was chef-kok en is 30 jaar geworden. Bij gelegenheid van haar verjaardag had ze haar leven overschouwd. Ze had zich afgevraagd wat ze de rest van haar leven nog zou gaan doen. Ze had vastgesteld dat ze in de afgelopen jaren goed had verdiend. Ze had geen gezin, geen man of geen kinderen om voor te zorgen. Ze was tot de bevinding gekomen: “ik wil de wereld zien”. Trudo vindt dit een interessant verhaal en Dominic vindt het onwaarschijnlijk. Ze zijn vol bewondering voor de avontuurlijke spirit en de on-bevreesdheid van de vrouw om zulke reis alleen aan te vatten.  Wat ze niet weten: de vrouw is ook vol bewondering voor de voettocht naar Compostela die zij ondernemen.

Even verder komen ze een man met een stootkar en een hond tegen. Hij heeft zijn hele hebben en houden op de stootkar gepakt. Hij reist zo de streek af.

In Charleville-Mézières zijn ze aangenaam verrast door het mooie plein ‘Place Ducale’. Ze verpozen en gebruiken iets onder de arcaden. De vriendelijkheid van de mensen treft hen. In het dorpje Signy l’Abbaye komen ze op de via Campaniensis die deel uitmaakt van de echte Camino de Compostela. 

 

In Reims bezoeken ze de Cathédrale Notre-Dame. Ze bewonderen de glasramen. 

 

Een verraderlijke rivier, ontmoeting met Jacques en een viervoeter

Dominic en Trudo komen voorbij het stadje La Charité-sur-Loire. Het stadje oogt charmant en de naam spreekt hen aan. Ze besluiten een snipperdag te nemen. Ze bezoeken de Notre-Dame kerk en de restanten van de priorij die ooit in de geschiedenis machtig was want van daaruit werden vele landgoederen in de streek beheerd. Het is een Benedictijnenklooster van de orde van Cluny. Ze bezichtigen ook de overblijfselen van de stadswallen, de remparts. De rivier de Loire die door het stadje loopt, fascineert hen. Hij is wel breed maar ondiep. Ze zien een vlot dat blijkbaar gestrand is tegen een eilandje in de rivier. Ze zijn nieuwsgierig. Ze waden door de rivier naar het vlot. Het vlot ziet er nog bruikbaar uit. Het bestaat uit houten palen die aaneen gesjord zijn op een onderstel van olievaten. Mogelijk is het bij ondiep water daar gestrand. Het kind komt in hen boven. Ze herstellen het vlot door de sjorringen aan te spannen. Ze trekken het vlot vlot vlot en wagen zich op de rivier. Ze voelen zich als schippers op hun vlot. Het water blijkt op sommige plaatsen zeer ondiep. Ze moeten afstappen van hun vlot om het vlot te trekken. Ze merken dat de vissen soms in water zwemmen van minder dan 20 cm. Ze belagen de vissen en slagen erin twee vissen bewusteloos te slaan met een houten plank. Ze likkebaarden bij de gedachte om de vissen ’s avonds in de auberge in een pan te bakken. 

Dan wordt de rivier smaller en dus weer dieper. Ze moeten uitwijken voor de vislijn van een visser. Ze moeten aardig bukken om de vislijn te ontwijken. Dominic valt in het water. Hij kan amper zwemmen. Hij drijft door het snelstromend water. In plaats van “Hulp” te roepen, begint hij nerveus te gibberen. Hij wordt afgeremd wanneer zijn pij blijft haperen in een vishaak. Gelukkig kan de hengelaar die het lijntje heeft uitgeworpen meelopen langs de oever. Hij kan juist over een prikkeldraad tussen twee weides wippen om geen kleerscheuren op te lopen. Uiteindelijk bereikt de steeds gibberende Dominic de oever. Trudo navigeert het vlot even verder aan de kant. Oef! Ze houden het avontuur met vlot en rivier voor bekeken. ’s Avonds laten ze zich de gebakken visjes smaken.    

Ze besluiten stroomopwaarts te gaan langs de rivier en in Nevers aan te pikken op de route naar Compostela. Ze zien veel vissers langs de rivier. Ze zijn getuige van een vechtpartij van een visser met een grote vis. Uiteindelijk wint de visser. Hij haalt een enorme meerval boven.

 

Ze komen door een streek met veel natuur: het plateau de Millevaches. Daar zien ze zoals verwacht koetjes in de wei, maar ook kuddes schapen.

Op de drieëndertigste dag stappen zien ze een man met een ezel. Hij zit te eten: kraakvers stokbrood met camembert. Hij draagt twee kruiken op de ezel. Het zijn kruiken met olijfolie. Hij heeft ook een aardappelzak op de rug van de ezel. In de zak zijn geen aardappelen maar raapjes. Raapjes zijn zeldzaam, zeker in deze tijd van het jaar. Daarom heeft hij een grote voorraad mee, om aan de ezel te geven als beloning. Het zijn snoepjes voor de ezel. Hij is ook op weg naar Compostela. Ze maken kennis met de man. Zijn naam is Jacques en hij is een Fransman. Hij is een amateur-kok. Hij kent recepten van talrijke eenvoudige gerechten, de meeste met olijfolie. Ze besluiten een poosje samen op te trekken.                          Hij heeft afspraken gemaakt met vier boeren langs de weg naar Compostela om raapjes te kopen. Hij moet er op de vastgelegde dagen zijn.Als de ezel oordeelt dat het genoeg afstand is voor de dag, begint hij oorverdovend te balken IA IA IA. “Daar gaan we weer” zegt Jacques dan terwijl hij en Dominic en Trudo hun oren beschermen. Maar Jacques gehoorzaamt toch want hij wil niet dat zijn ezel begint te ezelen. “Je moet altijd de wijste zijn” zegt hij wijs. De ezel heet Edmond.

Dominic en Trudo willen weten waarom Jacques de tocht naar Santiago de Compostela onderneemt. Hij is pas op pensioen gegaan. Hij heeft nu tijd en hij denkt dat de tocht goed is om de werkperiode achter zich te laten, afscheid te nemen van wat geweest is, en na te denken over wat gaat komen. Hij heeft gehoord dat mensen op pad gaan om zich te bezinnen. Hij wil vooral genieten van de rust, en ook boeit het hem om zijn grenzen te verleggen. Hij heeft ook gehoord dat mensen zichzelf tegenkomen op de tocht naar Santiago de Compostela. Maar hij kan zich daar niks concreets bij voorstellen.

Op de vijfenvijftigste dag zijn ze in de stad Périgueux. In de winkelwandelstraat zien ze een viervoeter lopen. Het is geen gewone hond. Het is een viervoetige robot. Schijnbaar is er niemand in de omgeving die het baasje is van deze hond. Wat doet die hond hier alleen? vragen ze zich af. De hond volgt hen uit de stad. Na een paar kilometers maken ze zich bezorgd want de hond volgt hen nog steeds. Ze trachten te communiceren met de hond “Ga naar het baasje”. De hond kwispelt alleen vrolijk met zijn staart en blaft. Hij lijkt wel blij. Ze gaan dan maar verder. Ze concluderen dat het een zwerfhond is. Ze spelen met de hond: rapporteren. Stokje weggooien, de hond haalt het terug. Opnieuw stokje weggooien. De hond brengt het terug. “Misschien wil hij ook naar Compostela, raadt Dominic, dat zou onwaarschijnlijk zijn”. Hij wordt hun metgezel. Ze noemen hem Fidel. De viervoeter wordt goede maatjes met de ezel Edmond.

 Een atheïste en feministe, en een vredesduif

In de etappe voorbij Périgueux zien ze opnieuw een éénwieler. Het is Jane, de vrouw die ze eerder ontmoet hebben ter hoogte van Charleville-Mézières. Voor Dominic en Trudo is het een prettig weerzien met Jane zonder vrees. Jacques maakt kennis met de dame op de éénwieler. Dominic en Trudo vertellen over hun tocht. Jane vertelt dat ze oorspronkelijk van plan was langs Scandinavië te fietsen, maar dat ze zich bedacht heeft en voor de weg langs het Zuiden heeft gekozen. De oorlog in Oekraïne verhinderde haar om door Rusland te trekken. Langs het Zuiden kan ze Rusland vermijden. Ze heeft de weg van Compostela gevolgd in de hoop van hen ergens tegen te komen. Dominic vindt het onwaarschijnlijk dat dat gelukt is.

Jacques en Jane houden culinaire discussies. Jacques kan uren praten over gerechten met Jane die chef-kok is geweest. Hoe eenvoudiger de gerechten zijn, hoe beter, vindt hij. Jacques kent de recepten vanbuiten, vooral als er olijfolie aan te pas komt. Kleurenomelet is één van zijn favorieten. Hij kent verschillende varianten: groene omelet, best met spek (het groen komt van spinazie, kervel kan ook, afwerken met fijngemalen peterselie door het peterselie-molentje); oranje omelet (met wortel of met pompoen); rode omelet is zijn favoriet (met confituur van kersen of van rode bessen; rode kool zou ook kunnen maar dan mag de rode kool niet op voorhand gekookt zijn, anders wordt het grijze omelet en dat is niet zo smakelijk). Trudo moest er aan terugdenken dat hij als kind geen groene omelet lustte, hoe zeer zijn vader die Engelstalig was, hem ‘green eggs and ham’ wilde laten eten. Jane houdt van soepen, en van pannenkoeken met krieken.

Jane maakt er geen geheim van dat ze atheiste is. En nog minder dat ze feministe is. Ze orakelt “De man schiep God naar zijn beeld en gelijkenis. Hij gaf Eva ook de hoofdschuld van de erfzonde”. Daarom zijn de feministes boos, even boos als God de Moeder in de feministische versie van de uitdrijving uit het aards paradijs. Ze is hevig voorstander van de eis van de feministen voor een herschrijving van het scheppingsverhaal. Ze hebben meerdere discussies over geloof in een god. Dominic voert bijna-dood-ervaringen op als bewijs van leven na de dood. Jane aanvaardt dat niet als een wetenschappelijk bewijs. Ze vraagt of Trudo een bijna-dood-ervaring heeft meegemaakt. Als Trudo toegeeft dat hij dat niet zelf heeft meegemaakt, zegt ze dat het een zoveelste verhaal is van ‘horen zeggen’. “Eerst zien, en dan maar geloven. Nooit geloven zonder zien”. Deze discussie eindigt op een remise. Er volgen nog meer discussies met remises. 

”Is er al een Tarzan aan komen zwieren aan een liaan?” wil Dominic weten van Jane. Jane zonder vrees wil niet over dat onderwerp praten. Het is duidelijk een gevoelig punt. Ze speelt de bal terug. “En bij jou, heeft er al een Dominique, nique … gelachen naar jou?” Dominic is in de war. Was dat nu gemeen van Jane, of was het gemeend?  

Op de tocht ontmoeten ze veel pelgrims. Vooral in de auberges hebben ze ‘s avonds en ‘s ochtends gelegenheid om met andere pelgrims te spreken. Ze komen erachter dat moderne pelgrims ook vaak ongelovigen zijn.

Op een ochtend verrast Jacques heel het gezelschap dat deze nacht in de auberge heeft overnacht op zijn culinair hoogstandje: groene omelet met spek (green eggs and ham). Hij heeft gekozen voor het groen van spinazie, en voor olijfolie in de pan natuurlijk. De gezellen laten het smaken. Trudo herinnert zich dat ‘spek en eieren’ in zijn jeugd stond voor een stevig ontbijt voor mensen die zware fysieke arbeid moesten leveren.                                      

 

‘s Avonds raken ze aan de praat met een groepje jongeren. Het blijken twee jongens en twee meisjes die in aanraking gekomen zijn met de jeugdrechtbank voor feiten van drugs en geweld. Ze hebben voor de alternatieve staf van een pelgrimstocht naar Compostela gekozen. Er is een begeleider bij hen die dit als stage doet bij zijn studies van sociaal assistent. De jongeren hebben geen spijt van hun keuze. Ze zijn afgekickt en ze voelen zich lichamelijk in vorm. Hun psyche is ook aan de betere hand: ze hebben terug meer zin in het leven. Ze vertellen dat ze terug naar school zullen gaan na hun pelgrimstocht. Het zet hen weer op de rails.

Ze maken ook kennis met een paar landgenoten. Van hetzelfde land zijn schept onmiddellijk een band, ook al zijn de landgenoten van de andere kant van het land of zelfs van Wallonië. Een Waalse vrouw die op pelgrimstocht was gegaan nadat zij genezen was van kanker blijft hen bij.

Op de zesenzestigste etappe komt er een gezel bij: een vredesduif. Ze zit te drinken aan een vijver. Ze heeft een palmtakje in haar bek. Als ze het gezelschap ziet naderen, vliegt ze op. Ze blijft voor hen uit of achter hen vliegen. De tochtgenoten hebben het eerst niet door. Na verloop van tijd realiseren ze zich dat die duif in hun omtrek blijft. Als ze even halthouden, gaat de viervoeter kennismaken met de duif. Hij komt kwispelstaartend terug. ’s Avonds als ze aangekomen zijn aan hun onderkomen voor de nacht, blijft de duif nog steeds bij hen. De tochtgenoten begeven zich aan het avondmaal in de auberge. De duif gaat maïs eten samen met de lokale kippen. Als ze gegeten heeft neemt ze het palmtakje weer in de bek. De vredesduif is dadelijk beste maatjes met de kippen. Ze verbroedert ook met lokale duiven die hun avondrondje vliegen rond de kerktoren. Ze kirt van plezier “Roekoe, Roekoe”, de andere duiven doen mee. De vredesduif voelt zich goed bij haar soortgenoten. Maar ze voelt zich tegelijkertijd een beetje uitgesloten. Ze is geen dier-van-hier, maar eerder een dier-van-ver. In de volgende dagen ervaren de tochtgenoten dat de vredesduif het goed kan vinden met de viervoeter Fidel en met de ezel Edmond.

Trudo droomt, een dauwtrip, en een concert

Trudo droomt altijd dezelfde droom: de vier bevinden zich allemaal in een luchtballon, die naar de hemel vaart; Trudo schept roomijs van de wolken; een engel verwelkomt hen aan de hemelpoort. Hij spreekt erover. Wat zou deze droom kunnen beduiden? Lust naar roomijs? (de belofte van armoede heeft Trudo altijd weerhouden om roomijs te eten). Een ander onvervuld verlangen (AOV)? De volgende dag heeft Dominic een sterk gelijkende droom. De dag daarna zegt Jacques dat hij ook zoiets gedroomd heeft. De dag daarna is het de beurt aan Jane om te zeggen dat ze ook over een luchtballon naar de hemelpoort heeft gedroomd. Ze begrijpen niet dat ze over hetzelfde dromen. Ze hebben in de afgelopen dagen hetzelfde gegeten. Kan dat een verklaring zijn voor de gedeelde droom? Is er een droomvirus actief geweest? Hebben de anderen te hard getracht om een verklaring te vinden voor de originele droom van Trudo? De piste dat ze alle vier in de mand van de luchtballon zaten, wordt ook verkend. Een groot mysterie dat Dominic de uitspraak “Onwaarschijnlijk” ontlokt.

Op een avond stelt Jacques voor om de volgende dag zeer vroeg op stap te vertrekken. Er zijn weinig voorstanders want de meesten zijn moe omdat het de voorbije dag al een lange afstand was. Dominic ziet het wel zitten. Hij heeft goede herinneringen aan een dauwtrip die hij ooit gedaan heeft in de jeugdbeweging. Jacques en Dominic spreken af dat ze om half vijf zullen opstaan om op dauwtrip te gaan en de rest zullen opwachten in het dorp na het volgende dorp. De volgende ochtend zijn Jacques en Dominic zoals afgesproken vroeg uit de veren en om vijf uur gaan ze op pad. De dauw ligt nog over de stille wereld. Ze horen een koe in de verte loeien. Voor de rest is er geen geluid. Dominic geniet er van. Om kwart na vijf beginnen de vogels aan het ochtendconcert. Dominic is er door overweldigd. Hij vertelt over Franciscus van Assisi die ook hield van de natuur. Om half zes is het concert al minder intens en om kwart voor zes is het over. Dan horen Jacques en Dominic nog af en toe een vogel zijn deuntje fluiten. Ze raden welke soort vogels het zijn. “Dat is een merel. Kijk daar zit hij, op de top van die hoge boom daar“ en Dominic wijst naar de boom. “Zijn gezang is prachtig, zo melodieus“ commentarieert Jacques. “Wist je dat het mannetje van een merel zijn gezang gebruikt om zijn territorium af te bakenen?” “Heel viriel.” “En dat is een vink”. Wat later horen ze een leeuwerik tierelieren. “Hoor, een leeuwerik!” zegt Dominic. “Waar is hij, ik zie hem niet” Jacques tuurt in de lucht. Dominic: “Je kunt hem moeilijk zien, …. daar zie ik hem, hij stijgt heel hoog terwijl hij zingt, ….. nu fladdert hij naar beneden.” Ze liggen allebei tevreden in het gras in het dorp van afspraak als ze de vredesduif zien aangevlogen komen als voortrekker van de andere tochtgenoten.

In Bergerac, op de zevenenzeventigste dag van Dominic’s en Trudo’s pelgrimstocht, laten ze zich eens gaan met een fles Siant-Emilion en daarna een fles Montbazillac.

De dieren zoeken toenadering tot elkaar. Na enkele dagen is het duidelijk dat ze elkaar goed verstaan. Ze spreken nochtans geen gemeenschappelijke taal. De dieren bekennen elkaar dat ze heimwee hebben naar de tijd toen de dieren nog spraken. Maar wanneer was dat ook weer? Het lijkt zo lang geleden. Ze doen moeite om het zich te herinneren. De viervoeter oppert: Was dat in de kindertijd? Neen, dat kan niet, IA-t de ezel, want de kindertijd is voor elke leeftijdsgroep anders. De vredesduif doet al roekoe-end een poging: Was dat niet toen ze de ganzen iets probeerden wijs te maken? Mogelijk, maar dat is zo vaag, vinden ze. 

De dieren beginnen samen te musiceren. Op een gegeven moment komen ze in de stad Agen. Ze vinden het zo mooi. Het inspireert de dieren. Bij het buitengaan van de stad beginnen ze spontaan ‘Ode an die Freude’ te spelen. De viervoeter speelt op zijn poot. De ezel balkt zo zachtjes. De vredesduif heft een hemels gezang aan. Er komen van alle kanten dieren opdagen om bij te dragen aan de ‘Ode an die Freude’: straathonden, zwerfkatten en ratten. Ook gedomesticeerde dieren zoals blaffende honden en hinnikende paarden in hun wei. Kikkers zijn de blazers. Krekels de strijkers. Er komt een groep kippen op. Ze dansen op de muziek, met opgetrokken schouders zodat hun vleugels beter tot uiting komen. Hun haan speelt voor dirigent. Het is een heuse flashmob geworden. De haan zorgt voor de apotheose: een kordaat Kukeleku (eigenlijk Cocorico, want we zijn in Frankrijk) en dan is het gedaan. Het applaus barst los. Het houdt lang aan. Dan pas valt op hoe groot het publiek geworden is. Na afloop van dit concert volgt er een spontane receptie waarop iedereen welkom is, ook de grijze muizen en de stom verbaasde eekhoorns die niet veel zeggen. Er luiden commentaren van vele dieren, onder andere kalkoenen die kippenvel hebben gekregen van deze opvoering. Op de receptie serveren schapen die van hun kudde losgebroken zijn feta-kaas; kippen doneren eieren, en kikkers kikkerdril (beter dan kaviaar). Dominic, Trudo, Jacques en Jane hebben flink gesupporterd. Na de receptie moeten ze voortmaken om op tijd aan hun volgende bestemming aan te komen. Ze grappen over hun ‘Bremer Stadsmuzikanten’. In Agen hebben ze toch maar geschitterd.    

 

Fidel komt in de verleiding wanneer hij zich in een volgend stadje warm verwelkomd voelt door een bende straathonden. Zijn nieuwe status van stadsmuzikant van Agen weerhoudt hem echter. Hij kiest voor zijn makkers en blijft koers zetten naar Compostela.

 

 

 

Aankomst in Santiago de Compostela

Op een dag moeten ze wachten op Jacques. Jacques heeft afspraak met een boer die heeft beloofd om hem raapjes te verkopen. Het wachten duurt lang. Eindelijk daagt Jacques op met een grote glimlach op het gelaat. Het blijkt dat hij een dag te vroeg was op zijn afspraak. Samen met de boer is hij de raapjes nog moeten gaan uitdoen op het veld. Maar gelukkig heeft hij veel raapjes meegekregen, meer dan hij had verwacht. Edmond de ezel is zeer tevreden met zoveel snoepgoed.                                             

Jacques is aan de beurt om proviand voor de dag te kopen. Hij gaat in een superette en bestelt twee baguettes, een camembert, een Parijse worst, en een fles rode wijn. Hij ziet dat het brood geleverd wordt. De baguettes zijn dus kraakvers. Degene die het brood komt leveren raadt dat hij een Compostela-ganger is. Hij spreekt Jacques aan en waarschuwt hem dat hem een kale vlakte wacht tot het volgend dorp op zo een vijftien kilometer en dat er geen mogelijkheid is om te schuilen voor het weer. Dat doet Jacques twee petten kopen voor de minderbroeders en een zonneklep voor Jane en ook nog een plastic van 5 meter op 5 meter.

De hitte doet hen inderdaad afzien op hun tocht. Dominic en Trudo zijn dankbaar voor de beschermingen tegen de zon die Jacques voor hen gekocht heeft. Trudo bezwijkt onder de fysieke beproeving. Hij heeft blaren op zijn voeten. Gelukkig is er Edmond die er niet voor geeft om eens lastdier te spelen.

Tegen de middag slaat het weer om en komen er meer en meer wolken aandrijven. Ze zien de bui al van ver hangen. Opeens barst de hel los: het begint te onweren. Er is niets om te schuilen. Jacques haalt de plastic boven. Iedereen bewondert Jacques’ vooruitziendheid en zijn gevoel voor de collectiviteit. Jacques’ motto is ‘zorgen voor elkaar’. Dominic en Trudo noemen het naastenliefde. Ze schuilen onder het plastic zeil: gezellig samenzijn. Ze maken van de gelegenheid gebruik om te eten: frans brood met camembert en worst en een rood wijntje om het weg te spoelen. Jacques breekt het brood. Voor Edmond zijn er raapjes en voor de vredesduif is er maïs. De viervoeter hoeft niet te eten. Zijn batterijen van Duracell gaan nog lang mee.

Jacques wordt weemoedig. Hij onthult dat hij vroeger had gepoogd om clochard te worden in Parijs onder de bruggen van de Seine. Hij had het een paar maanden uitgezongen. Hij had beseft dat hij niet het talent had om een echte clochard te worden. Bovendien was het druk geworden. Het clochard-bestaan was enorm populair geworden. Het gevolg was dat de slaapplaatsen onder de bruggen van de Seine overbevraagd waren. Het hielp op bepaald moment niet meer om een plaats proberen te reserveren door er je karton neer te leggen (zoals een badhanddoek leggen op een ligstoel aan het zwembad). De politie werd zelfs ingeroepen, in uniform en ook under cover. Dat ‘under cover’ werd natuurlijk gemakkelijk doorzien door de echte clochards. Ze moesten erom lachen. Ze hadden wel respect voor de under cover agenten van de staatsveiligheid die ze al jaren tolereerden. Enfin, op bepaald moment had Jacques dat hoofdstuk afgesloten: seen that, done that. Maar nu moest hij, onder het plastic zeil, even terugdenken aan dat bestaan. Hij heeft Dominic en Trudo en ook Jane met verstomming geslagen met zijn verhaal. Ze krijgen de indruk dat Jacques nog verborgen talenten heeft. 

Het weer is nog niet beter geworden. Jane heft een lied aan dat ze passend acht: ‘By the rivers of Babylon, there we sat down, …’. Daarna voelen Dominic en Trudo zich geroepen, met ‘Vrolijke, vrolijke vrienden. Vrolijke vrienden dat zijn wij’. Dan is Jacques aan de beurt: ‘Sur le pont d’Avignon, on y danse’. Edmond vindt het leuk. Hij lacht zijn tanden bloot. De dieren laten zich niet onbetuigd: onbedaarlijk IA en Roekoe. Dominic, Trudo, Jacques en Jane bestoppen hun oren. De viervoeter Fidel speelt op zijn poot. Trudo herkent het deuntje als eerste: ‘In dulci jubilo’. Nu klaart het weer op. Ze kunnen buiten een rondedans doen: sur le pont d’Avignon, on y danse tout en rond. Ze dansen in de plassen. Ze doen nog een vervolgnummer: ‘Singing in the rain, yes singing in the rain, what a glorious feeling, I'm happy again’.

In Lourdes maken ze de kaarskensprocessie mee. Ze beginnen al te denken aan hun eindbestemming die nu niet meer te ver weg is.                                                                                                                                                                                     

Over de Pyreneeën komen ze in Spanje. In de Pyreneeën leven beren en lynxen. Ze zijn op hun hoede gedurende de twee dagen dat ze de bergketen oversteken.

 

In Spanje gaat het via Burgos en Leon. De laatste honderd kilometer zien ze grote groepen Spanjaarden. Ook scholen en militairen stappen naar Santiago de Compostela. Voorbij Leon komen ze in Ponferrada, een stad met een imposante middeleeuwse muur.

Daar worden ze geïnterviewd door de Baskische radio Euskadi. Eerst zijn ze wantrouwig want ze twijfelen of deze radio deel is van de Baskische afscheidingsbeweging met de beruchte terroristische vleugel ETA. De journaliste wil hen clichés in de mond leggen. Een cliché is dat de tocht zelf hun doel is eerder dan de eindbestemming. De journaliste vraagt ook of ze zichzelf tegengekomen zijn? Dominic en Trudo zijn Jacques en Jane tegengekomen. Ze denken even na want ze willen de vraagstelster tegemoetkomen. Dominic moet denken aan Jansen en Janssen van Kuifje die elkaar ontmoeten. Trudo denkt aan Stanley, de ontdekker van Congo, toen die Livingstone tegenkwam die op zoek was naar de bronnen van de Nijl. Zijn uitspraak ‘Dr. Livingstone, I presume’ heeft hij uit de geschiedenisles onthouden. Ze moeten de vraagstelster toch teleurstellen: ze zijn zichzelf niet tegengekomen, misschien omdat ze elkaars gezelschap hadden. Een ander cliché is dat de pelgrimstocht hen tot een dieper inzicht zou gebracht hebben. Jacques verklaart dat hij zeer verheugd was om een nieuw recept te leren van Jane waarvoor hij haar zeer dankbaar is. Ze willen kwijt dat ze vele moderne pelgrims zijn tegengekomen die wonderwel zonder sociale media overleven.

Voorbij Ponferrada komen ze een confrater tegen. Hij heet Andreas en is een Duitse Franciskaner broeder. Ze maken kennis. Hij is ook op weg naar Compostela. Hij stapt het laatste stukje met hen mee.

Eindelijk, na ongeveer vier maanden voor Dominic en Trudo, komen ze aan in Santiago de Compostela: een echte blijde inkomst. Op het plein voor de kathedraal is er veel volk: pelgrims, jeugd, miliciens, toeristen. De klokken luiden luid en lang: bim .. bam .. bim .. bam .. bim .. bam .. bim .. bam. Dominic, Trudo, Jacques en Jane denken dat het is om hen te verwelkomen. Op een hoek van het plein zien ze een bruine massa. Als ze dichterbij komen, bemerken Dominic en Trudo dat het allemaal confraters zijn: Franciskaner broeders. Andreas herkent sommigen die hij onderweg is tegengekomen. Velen blijken in groep gekomen te zijn vanuit Assisi. Zovele minderbroeders op dezelfde plaats aangekomen op hetzelfde tijdsstip. Jacques moet denken aan de paddentrek. Dominic kan niet onderdrukken om te sissen: “Onwaarschijnlijk”. Ze gaan de kathedraal binnen. De slinger van Foucault hangt daar van links naar rechts te zwieren. Er is een mis bezig. Ze volgen de mis alhoewel ze niet veel verstaan van het Spaans. Ze begrijpen dat er hulde wordt gebracht aan de pelgrims die talrijk zijn gekomen.

 

Bij het buitenkomen van de kathedraal nodigen leden van de groep die uit Assisi is gekomen hen uit voor een banket dat zij organiseren in een zaal van de Pazo de Fonseca (het paleis van Fonseca, thans universiteitsbibliotheek). Dominic en Trudo gaan graag op die uitnodiging in. Hun medereizigers mogen natuurlijk ook komen.

 

’s Avonds als ze uitgerust zijn gaan ze naar de Pazo de Fonseca. Ze genieten van de feestmaaltijd en Dominic en Trudo vergeten even hun eed van armoede. Later op de avond wordt de polonaise gedanst en de kasatchok.

Er wordt verbroederd onder de minderbroeders. Spijs en drank worden broederlijk gedeeld. Meer dan eens moet Dominic herhalen dat hij geen Dominicaan is maar een Franciskaan. De verhalen van de groep die uit Assisi gekomen is brengen bij Dominic en Trudo een aandrang teweeg om op tocht te gaan naar Assisi. Daar moeten ze nog eens over nadenken.

 ’s Anderendaags nemen ze afscheid van Jacques en van dappere Jane. Ze wensen Jacques een rustig leven toe, en Jane een goede wereldreis. De vredesduif houdt van avonturen; ze wil met Jane meevliegen. De viervoeter blijft bij Dominic en Trudo. Hij kwispelt met zijn staart wanneer Jacques en Edmond en ook Jane en de vredesduif aanstalten maken om te vertrekken. Ze kiezen elk hun richting. Jacques gaat naar het station, in de hoop dat hij Edmond mag meenemen op de trein. Jane springt op haar éénwieler en stuift ervandoor met de vredesduif boven haar uit.